Overasselt

 

 
 

Zuidwestelijk van Nijmegen, in een gebied tussen stadsdeel Dukenburg en de Maas, omgeven door Alverna, Wijchen, Nederasselt, Overasselt en Heumen, liggen de Hatertse en Overasseltse vennen.

 
 

 

Dit gebied is ongeveer 520 ha groot. Het is een zeer aantrekkelijk en gevarieerd gebied, gezien deze kleine en grote vennen tussen stuifzandduinen liggen met daarnaast  heideveldjes, weilanden waarop vee nog vredig graast,  dennenbossen, resten eikenhakhout, schilderachtige akkertjes en boerderijtjes. Deze stuifzandduinen zijn lang geleden ontstaan, toen de Maas zich door een breed zanderig bed kronkelde en door zuidwestelijke winden opgewaaid rivierzand, de duintjes gevormd werden. Doordat deze duintjes op een laag rivierleem kwamen te liggen, werd het regenwater niet doorgelaten, zodat er in de duinpannen vennen ontstonden waar bijzondere planten, zoals kleine en ronde zonnedauw veenpluis, beenbreek en wolfsklauw groeien.
 

 

 

Daarnaast komen er in de Overasseltse vennen ongeveer tachtig soorten broedvogels voor, elf soorten amfibieŽn en rond de dertig soorten libellen. Verder leven hier onder meer dassen, vossen, reeŽn en konijnen.

Doordat de Overasseltse Vennen voedingsarm en zuur zijn, waren deze niet echt geschikt voor landbouw, zodat deze streek in hoofdzaak een natuurgebied gebleven is.

 

 

Om te zorgen dat de heide zich hier kan handhaven zijn zoín 250 Kempische heideschapen zeer belangrijk voor de ontwikkeling van dit gebied. Door hun geknabbel aan kleine boompjes en grassen geven ze de heideplantjes een goede kans zich te ontwikkelen, want heide is een langzame groeier en wordt zonder begrazing snel overgroeid. Door het grazen ontstaan ook open verbindingen tussen de vennen, dat van levensbelang is voor de amfibieŽnpopulaties en verschillende insectensoorten. Doordat de schaapskudde het hele gebied doorkruist, nemen de schapen in hun vacht zaad mee dat ze op andere plaatsen verliezen, dat daar dan weer kan ontkiemen.

 

 


In dit natuurgebied, dat druk bezocht wordt door wandelaars en fietsers, vind je in de omgeving van restaurant St. Walrick de vijftien eeuwse ruÔne van St. Walrick (Walaricus, gestorven in 622), die de beschermheilige van de zieken was, in het bijzonder de koortslijders. 

 

 

Bij deze ruÔne, het restant van een bidkapel van een kloosterboerderij van de Benedictijnen, staan een paar struiken en bomen waaraan men tot op de dag van vandaag stukjes lijfgoed aan vastbindt om koortsen en ziekten te bezweren. Sint Willibrord, die hier in die tijd bekerend werk deed, zou hier de dochter van ene Walarik, aanvoerder van de heidense en woeste Hoemannen (mannen uit Heumen), van een felle koorts hebben genezen. Doordat hij haar haarband aan een tak van een struik of eik had opgehangen, en die te zegenen, genas zij. Vanwege deze cultus wordt de kapel ook wel 'Overasseltse Koortskapel' genoemd.

 

 

Door dit wonder bekeerden Walarik en zijn dochter zich tot het ware geloof, tot woede van de Hoemannen, die het tweetal vermoordden.

Maar wat is nu waar, gezien Walarik niet de aanvoerder van de Hoemannen bleek te zijn?
Men zegt dat hij in werkelijkheid de beschermheilige van het Franse klooster was, de heilige Walaricus, die in de zesde eeuw het klooster stichtte aan de minding van de Somme.

Karel de Grote zou hier ook nog geweest zijn, toen hij op het Valkhof geveld was door koorts.

Ooggetuigen wisten nog te vertellen, dat er processies vanuit Wijchen naar deze boom werden gehouden. Men ging naar de ruÔne van de Walrickkapel om te bidden voor de genezing van de zieken. Wie eenmaal genezen was liet een lint achter in de koortsboom.