Ooijpolder

 

 
 

Heel vroeger was de Ooijpolder een leeg, kaal gebied dat elk jaar onder water stond. Nu is het een lieflijk landschap dat het product is van natuurlijke processen en later ook van menselijke activiteiten. Het is een uitgestrekt gebied met lappen groen, zoals weiden en akkers, op vele plaatsen omzoomd door hagen en struiken, die weer onderbroken worden door allerlei grote en kleine plassen. Aan de ene kant is daar de Waal met zijn uiterwaarden en aan de andere kant de heuvelrug van Beek en Ubbergen. Hierdoor heeft dit landschap een veelzijdigheid die in Nederland geen gelijken kent. Want nergens anders is het landschap zo afwisselend als in de Ooij. De polder maakt deel uit van het natuurontwikkelingsgebied de Gelderse Poort. In dit gebied, gelegen tussen Arnhem, Nijmegen en Emmerich werken verschillende organisaties, waaronder Staatsbosbeheer, samen aan het ontwikkelen van de natuur en het vergroten van de oppervlakte van dit natuurgebied.
 

 
 

Het begon hier allemaal zo’n 200.000 jaar geleden, de voorlaatste ijstijd, toen een uitloper van het oprukkende poolijs vanuit het noordoosten met zijn gewicht de ondergrond omhoog duwde en daardoor lagen grint, zand en leem voor zich uitschoof. Toen het ijs zich terugtrok, sleepte het smeltwater groeven in de wal, waardoor er dalen en beekdalen ontstonden, waarna de wind de nog kale heuvels glad schuurde, zodat er een plateau ontstond.

De laatste ijstijd, ongeveer 100.000 jaar geleden, was iets minder koud, zodat het ijs Nederland niet bereikte.

 
 

Toch was het wel koud genoeg om grote delen van het aardoppervlak onbegroeid te laten. De wind kreeg opnieuw vrij spel en vlakte de heuvels nog verder af, waardoor de dalen verder opgevuld werden met dekzand en fijner löss.

De tot een woeste stroom aangezwollen Rijn beukte net zo lang tegen de oostzijde van de stuwwal aan, totdat deze ter hoogte van de huidige Overbetuwe brak. In de loop van duizenden jaren vormde deze een kilometers brede doorgang door steeds meer van de stuwwalresten af te knagen. Uiteindelijk is van deze stuwwal de Veluwe en de heuvelrug tussen Nijmegen en Kleef over gebleven.

 

 

 

Toen zo’n 15.000 jaar geleden het klimaat weer warmer werd ging de zeespiegel stijgen en ging de Rijn rustiger stromen. Hierdoor werd op de droogvallende stukken land klei achtergelaten.

Maar toen de kou 12.000 jaar geleden weer even terugkwam blies de wind hier weer zand overheen. Hier en daar stoof het zand op tot rivierduinen waarvan die van Persingen wel de bekendste is, maar de meest uitgestrekte zich aan de voet van de stuwwal bevindt, die zich uit strekt van Zyfflich in Duitsland tot in Beek bij Nijmegen.

 

 
 

In de loop der tijden verlegden De Rijn en zijn grote neventak de Waal regelmatig hun hoofdloop en nevenlopen. De plaatsten waar het droog bleef en waar de bodem gemakkelijk te bewerken was, vestigden zich al heel vroeg mensen. De oudste bewoningssporen gaan terug tot de Steentijd, 4000 jaar geleden. Zo zijn er sporen gevonden op het Kops Plateau en op het deel van de stuifzandrug tussen Zyfflich en Beek. Uit de IJzertijd zijn er nederzettingen gevonden op de oeverwal van Kekerdom en Leuth.
In het begin van onze jaartelling breidden de nederzettingen op deze plaatsen uit, waardoor ook de stuifzandrug van Persingen en de stuwwal ter hoogste van Ubbergen bewoond werden. Dit laatste gebied lag tegen de grens van het Romeinse Rijk aan.

Omstreeks het jaar 400, toen de Germanen oprukten, verdwenen de Romeinen uit deze omgeving, waarna er enkele eeuwen een bestuurlijke chaos heerste, waardoor veel van het onder de overheersing in cultuur gebrachte land opnieuw in een wildernis veranderde.

Pas in de achtste eeuw brak er een nieuwe periode van bewoning aan, die  tot op de dag van vandaag voorduurt.

 

 

Na de bouw van het Valkhof onder Karel de Grote, werd dit gebied vanuit Nijmegen bestuurd. Gronden werden ontgonnen, verlaten nederzettingen werden opnieuw bewoond en bestaande uitgebreid. In het centrale bosgebied van de stuwwal, het latere Nederrijkswald ontstonden enkel landbouwgebieden.
 
De Rijn had inmiddels zijn tegenwoordige loop gevonden, met als hoofdtak de Waal. Zo werden er ook in de laaglanden komgronden ontgonnen, nadat kades en weteringen waren aangelegd. Daarom werden er al zeer vroeg enkele watermolens gebouwd, die tot 1900 daar te vinden waren.

 

 

De organisatie van de inpoldering en ontginning werd georganiseerd door de Benedictijner abdij van Lorsch in de Eiffel. Daardoor verrezen er omstreeks 800 in Beek en Kekerdom de eerste kapellen.
Helaas zijn er uit die tijd weinig bouwkundige sporen teruggevonden.  

In de dertiende eeuw werd er steeds meer ontgonnen en ingepolderd, zodat er meer welvaart kwam en er een ordentelijk poldergebied ontstond. Ten zuiden van het dorp Ooij kwam een nieuwe landbouwnederzetting tot grote bloei: Persingen dat in de vijftiende eeuw een van de volkrijkste plaatsen in de huidige gemeente Ubbergen was. Niet alleen de landbouw bepaalde de welvaart, maar ook de opkomst van Nijmegen en Kleef als handelsnederzettingen. Persingen lag langs de belangrijkste route tussen beide steden.

De voorspoed en bevolkingsaanwas leidden er toe dat omstreeks de veertiende eeuw  honderd dorpskerken werden vervangen door grotere exemplaren.

 

 

 


Ondanks al deze vooruitgang was er nog wel steeds de rivier de Waal. Deze liet zich namelijk niet gemakkelijk temmen, zodat hij nog al eens met grof geweld door de lage en doorweekte zwakke dijken heen brak. Ook omhoog kruiende ijsschotsen veroorzaakten vaak doorbraken. De laaggelegen Ooijpolder had hier het meest van te lijden, zodat dit gebied steeds minder geschikt was voor landbouw. Bovendien had het water met een woeste kracht delen van de Ooijse oeverwal en van de Persingse stuifzandrug, met de huizen die er opgebouwd waren, weggeslagen.  Herbouw van deze huizen vond niet meer plaats, waardoor de dorpen Ooij en Persingen steeds kleiner werden en het in het jaar 1500 met de welvaart gedaan was.

 

 

Nog maar een enkeling ging daar verder met een boerderij op een kunstmatige heuvel.

Naast al die overstromingen verplaatste de rivier zijn loop steeds meer naar het noorden. Aan deze verandering, waardoor de scherpe rivierbocht werd afgesneden, heeft de gemeente Ubbergen het buurtschap Erlecom te danken.

Toen in 1581 de Staten van Gelderland hertog Philips II van Spanje de rug toekeerden, sloten zij zich aan bij de Republiek der Verenigde Nederlanden. Hiermee begon voor de meeste dorpen van de huidige gemeente Ubbergen een nieuwe periode op staatkundig en kerkelijk gebied. De eerste jaren bleef het in deze omgeving nog onrustig en werd er nog regelmatig tussen de legers van de Staten van Gelderland en de koning van Spanje gevochten. De omgeving was nog ten prooi van oorlog en brandstichting, waardoor o.a. de kerken van Beek en Ubbergen grotendeels verwoest werden. Kastelen werden zwaar beschadigd en kregen daarna nooit meer hun verdedigingsfunctie terug, maar werden later in het midden van de zeventiende eeuw verbouwd tot aderlijke buitenverblijven. In 1592, toen Nijmegen definitief bij de nieuwe republiek werd toegevoegd keerde de rust weer en werd de protestantse kerk de heersende kerk.

Toch bleef de grote meerderheid in de omgeving katholiek, maar mochten zij geen gebruik maken van de oude kerkgebouwen en nieuwbouw was evenmin toegestaan, zodat men voor kerkdiensten aangewezen was tot het Kleefse gebied. Voor de bewoners van Kekerdom en Leuth veranderde er niets, gezien zij in het katholieke Hertogdom Kleef woonden.

 

 

Na alle oorlogshandelingen begon het achterland zich pas rond 1620 economisch te herstellen. Toch was de situatie in de polder inmiddels drastisch gewijzigd, gezien de bevolking grotendeels uit de polder verdwenen was en de grond grotendeels in handen was gekomen van de Nijmeegse grootgrondbezitters. Dat land gebruikten zij hoofdzakelijk voor het vetmesten van vee dat van elders werd aangevoerd. Landbouw was daar nog bijna onmogelijk, omdat de dijkgraaf van de Circul van de Ooij had bepaald dat ieder najaar het rivierwater via sluizen de polder moest worden binnengelaten. Hier werd van een nood een deugd gemaakt, zodat door de tegendruk van het water aan de binnenzijde van de dijken, er minder kans was op doorbraken.

 

 

Mede daardoor werd de Ooij zelfs bekend om zijn malse gras, gezien het voedselrijke slip dat er ieder jaar weer achterbleef, een prima mest bleek te zijn.
In 1625 werd er zelfs een dam gebouwd die moest voorkomen, dat zuur water uit de Duffeltse bovenpolders de Ooijpolder in kon stromen en zodoende de kwaliteit van het gras nog beter werd.
 

 

 

Maar omdat de bodem van de polder steeds hoger kwam te liggen, als gevolg van de jaarlijkse toevoer van het slib, namen overstromingen naar lager gelegen gebieden van de Duffelt steeds meer toe. Gezien de Duffelt veel volkrijker was dan de Ooij en men daar voor een groot deel van de akkerbouw leefde, kwamen  beide gebieden steeds scherper tegenover elkaar te staan. Ook de landschappen van beide gebieden waren geheel anders. De akkers van de Duffelt waren afgegrensd met meidoornhagen en elzensingels, terwijl die van de Ooijpolder in hoofdzaak een weidegebied was, gezien bomen en struiken niet konden overleven in een gebied dat enkele maanden per jaar onder water liep.
 

 

 

De Ooijpolder had ook nog steeds een haat-liefde verhouding met de Waal. Na diverse dijkdoorbraken was het Duffeltse waterschap omstreeks 1650 genoodzaakt de Waal ter hoogte van Kekerdom meer ruimte te geven door de Duffeltsedijk enkele honderden meters terug te leggen, waardoor de oude dorpskern, voor zover die nog niet was weggevaagd, buitendijks kwam te liggen.

In de achttiende eeuw werd geprobeerd om de waterafvoer van de Rijn via de Waal, IJssel en Nederrijn te reguleren. Zo werden het Pannerdensch kanaal (tussen Doornenburg en Huissen) en het Bijlandsch kanaal gegraven (tussen Tolkamer en Millingen).
Ondanks deze, voor die tijd,  grote ingrepen kwamen er steeds meer dijkdoorbraken met als dieptepunten de rampen van 1744, 1784 en 1799.
Maar ook in 1809, 1820 en 1829 waren er dijkdoorbraken, veroorzaakt door ijsgang in de Waal, waardoor het water niet kon doorstromen en daardoor opgestuwd raakte, verder opvroor en tenslotte het ijs over de dijken schoof, waar het vervolgens kapot brak.
In december 1833 werd het water in het Circul door een zware storm de Duffelt ingedreven, waardoor in Kekerdom, Niel en Keeken tientallen gezinnen have en goed verloren.  

Toch duurde het nog enkele decennia voordat er concrete maatregelen genomen werden.

De eerste gemalen deden hun intrede, maar daardoor was het gevaar voor dijkdoorbraken nog steeds niet geweken.
Nadat in 1926 de laatste watersnood plaats had gevonden, kwam er een samenwerking tussen de Nederlandse en Duitse waterschappen. Snelle onderhandelingen leidden tot de bouw in 1933 van het Hollandsch-Duitsch Gemaal.
 

 

 

In de uiterwaarden van de Waal werd al sinds de late Middeleeuwen op kleine schaal klei gewonnen voor de vervaardiging van bakstenen. Door de expansie van Nijmegen en de rest van Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw, kwam er steeds meer vraag naar baksteen voor de huizen, fabrieken en straatstenen. De eerste steenfabriek Erlecom werd in 1852 gesticht en al snel volgden er meer.    
Deze bedrijvigheid van die steenfabrieken bleef meer dan een eeuw bestaan, waardoor door het aantrekken van werknemers de bevolking toenam. Deze arbeiders werden in kleine, tegen de dijken gelegen landarbeidershuisjes ondergebracht.

 

 

Later werd er meer om deze mensen bekommerd en kwamen er betere woningen.

Door het afgraven van de klei ontstonden er steeds meer ondiepe plassen, die na verloop van tijd dichtgroeiden met riet en andere waterplanten. Op plaatsen waar meer zand en klei ontgonnen werden, ontstonden grotere plassen zoals de Bisonbaai, maar ook de plassen ten westen en ten zuiden van het dorp Ooij en de natte gebieden van de Millingerwaard.

De Tweede Wereldoorlog heeft veel schade aangericht. Tijdens de oorlogwinter 1944-1945 schoof het frontgebied voortdurend heen en weer en werden de polders onder water gezet, zodat veel van het oude voorgoed verdween.  

 

 


Na de Tweede Wereldoorlog kende de baksteenindustrie gouden tijden, gezien er in heel Nederland veel te herstellen was. Maar toen de wederopbouw rond 1960 nagenoeg voltooid was, werd de vraag naar bakstenen minder. Daarnaast was er in 1970-1980 sprake van een recessie, zodat bijna alle baksteenfabrieken gesloten werden.

In de tweede helft van de twintigste eeuw kwam Nijmegen met het plan om in de Ooijpolder nieuwe stadswijken te bouwen, dat in 1970 door de minister van Volkshuisvesting van de tafel werd geveegd. Het Nijmeegs stadsbestuur was zeer teleurgesteld.

Ook een later plan om twee lastige bochten in de Waal, ten behoeve van de duwvaart, af te snijden, verdween van tafel.
Een ander idee om delen van de polder te bestemmen voor wateropslag bij extreme hoge waterstanden stuitte ook op fel verzet en is inmiddels ook afgeblazen.

 

 

De Ooijpolder was gered en door zijn oogstrelend landschap nam het toerisme steeds meer toe. Nergens anders is het landschap zo afwisselend als in de Ooij, met zijn meertjes, dijkhuisjes, lanen, weiden en bossen.

Door het waterbeheer is de oorspronkelijke moerasgrond aanzienlijk verdroogd en er zijn meer bomen gaan groeien en werd het dopje de Ooij een van de groenste dorpen van Nederland.
Dit heeft ertoe geleid dat de populatie van vogelsoorten en andere dieren is veranderd en is de
Ooijpolder een paradijs voor de vogelliefhebber geworden; ± 260 verschillende soorten zijn hier in de loop der jaren waargenomen. Maar ook botanisch gezien is het van belang. Er komen ongeveer 500 wilde plantensoorten in dit gebied voor.

Bekijk maar eens de foto’s van de Ooij, waar je kunt  fietsen, wandelen en toeren. Op een mooie zomerdag lijkt de dijk net een boulevard voor wandelaars, fietser, skaters en motorrijders waar dan ook nog eens automobilisten tussendoor proberen te rangeren.