Nijmegen en zijn Joodse gemeenschap

 
 

De eerste Joden in Nederland zijn waarschijnlijk als kooplieden, handelaren e.d. met de Romeinen meegetrokken naar Gallië en het Rijngebied. Het oudst bekende “Judenviertel” is dat van Keulen (± 331 na Chr.), terwijl Parijs in 582 al een synagoge had.

De toename van het aantal Joden in ons land in de eerste helft van de veertiende eeuw laat zich verklaren uit het feit dat de Jodenbuurten van o.a. Keulen, Worms en Mainz overbevolkt raakten, met als gevolg een trek naar het oosten en het westen.
Dat de Joden het bepaald niet gemakkelijk hadden in deze periode bleek al uit de verdrijving uit Engeland en Frankrijk. Het was vooral de kerk die de haat predikte tegen “ de moordenaars van Jezus”.


In de eerste helft van de veertiende eeuw komen we in Nijmegen voor het eerst namen van Joden tegen. Deze Joodse gemeenschap wordt gezien als de belangrijkste Middeleeuwse Joodse vestiging in Nederland.

Vermoedelijk hielden de Joden in die tijd zich voornamelijk bezig met geldzaken en waarschijnlijk zijn zij toen ook al het slachtoffer geworden van de gevolgen van de Jodenhaat, dat het gehele Rijngebied in de veertiende eeuw overspoelde.

Mede oorzaak is, dat in 1346 en 1347 er in Europa een grote hongersnood heerste ten gevolge van het mislukken van oogsten. Toen bovendien in 1348 in Europa de pest uitbrak zocht de grote massa een object om zich op te wreken. Eerst waren het de verminkten en de melaatsen, maar al vrij spoedig werden de Joden als de grote boosdoeners gezien. Voor de grote massa was het feit dat de Joden immuun bleken voor “de zwarte dood” en daarom het beste bewijs van hun schuld. Dat de oorzaak lag bij de betere hygiëne van de Joden kon men toen zelfs niet vermoeden. De gevolgen van deze Jodenhaat en Jodenvervolgingen waren verschrikkelijk, hele Joodse gemeenschappen werden uitgemoord. Na dit rampzalige jaar 1349 waren er praktisch geen Joden meer in ons land.
 

Toch kwamen al spoedig vanuit Westfalen weer Joden naar onze omgeving en is er in 1380 al weer sprake van een Joodse kolonie in Nijmegen.  In 1382 is er een vermelding  over een Joodse begraafplaats buiten de Wiemelpoort bij de Kronenburgertoren.  
 

In 1426 is er een Jood die in Nijmegen een huis huurt “ten gebruike voor alle Joden” hetgeen wijst op een Joodse gemeenschap van zeker vijftien gezinnen. Gezien het klimaat voor de Joden hier iets gunstiger was, konden zij zich vrij vestigen en hielden zij zich wederom bezig met geldzaken, maar ook met de slacht. Het beroep van vleeshouwer kwam trouwens erg vaak voor bij de Joden. Wellicht omdat de christenen uit een soort bijgelovigheid dachten dat de Joden, uit hoofde der oude reinheid, beter en zuiverder waren in het slachten van het vee.

Tussen de Stikke Hezelstraat en de Houtstraat kocht de Joodse gemeenschap een viertal panden.  Er kwam daar een synagoge die in de archieven vermeld staat als ‘schola judeorum’ en via een smal gasje, de Jodengas, te bereiken was.

In 1430 werd er een vergunning verleend voor de aanleg van een ritueel bad.


Vanaf 1452 moesten de Nijmeegse Joden op last van de Synode in Keulen herkenbaar zijn door het dragen van een gele mantel en een spitse hoed. Ondanks dit gebod bleef de houding in Nijmegen ten opzichte van de Joden welwillend.
Maar in 1543, onder Karel V hertog van Gelre, werden de Joden verdreven en hield het geheel op te bestaan.

In 1544 is er een mislukte poging tot hervestiging van Joden in Nijmegen.

In de loop van de zeventiende eeuw kwamen de Joden weer terug in Nijmegen en is er pas rond 1680 weer sprake van een Joodse gemeenschap.  
In 1683, bij de stadsmuur achter Mariënburg, werd er door Salomon Simon twee terreinen aangekocht voor het aanleggen van een begraafplaats, die in de loop van de achttiende eeuw tweemaal uitgebreid werd, maar waar ook tweemaal grafschendingen plaatsvonden. Synagogediensten werden in die tijd in privéwoningen en gehuurde ruimtes gehouden, maar de eerste huissynagoge aan de Vleeschhouwerstraat werd in 1697 wegens overlast van lawaai op last van het stadsbestuur gesloten.

In 1713 werd de voormalige herberg De Sleutel in de Grotestraat aangekocht door een vermogend bestuurder van de gemeente en liet hij die als synagoge inrichten.  Deze synagoge heeft tot 1755 als gebedshuis gediend.

 
 

Synagoge in de Nonnenstraat

Net als in andere gemeenten werden de Joden in Nijmegen in hun economische mogelijkheden ernstig belemmerd door de gilden, die talloze maatregelen namen om het bestaan van Joden zo moeilijk mogelijk te maken.

In 1721 kregen Joden het recht om tegen een aanzienlijke bedrag een beperkt aantal burgerrechten te verwerven. Deze rechten werden vooral verleend aan Joden van wie het stadsbestuur voordeel hoopte te trekken. Zo kon het gebeuren, dat enkele Joodse pachters van de stedelijke bank, artsen, handelaren, ambachtslieden en fabrikanten een belangrijke rol speelden in de economische ontwikkeling van Nijmegen.
 

In 1753 kocht de Joodse gemeenschap een terrein aan de Nonnenstraat om er een synagoge te bouwen, die in 1756 werd ingewijd.

Later, rond 1760, kocht de Joodse gemeente daar nog twee panden aan, waar ook een rituele bad gevestigd was gekomen en in 1871 kwam er ook een schoolgebouw bij. Het Joodse onderwijs werd in Nijmegen door privé godsdienstonderwijzers verzorgd en werden behalve de Joodse vakken, ook niet-religieuze vakken gegeven.

 
 

In het begin van de negentiende eeuw was het merendeel van de Joodse inwoners van Nijmegen armlastig en hielden zij zich vooral bezig met straathandel en handel in tweedehands goederen.

Aan het eind van die eeuw verbeterde de economische situatie enigszins en was Nijmegen uitgegroeid tot een middelgrote Joodse gemeente. Toen waren de meeste Joden economisch actief in de textiel, als winkeliers, kleinhandelaars en vleeshouwers, waarbij enkelen van hen zitting hadden in de gemeenteraad.

Door de toename van de Joodse gemeente bleek de synagoge te klein te zijn geworden, zodat men in 1912 een nieuwe sjoel (een andere naam voor synagoge) aan de Gerard Noodstraat betrok.

Ook was de oude Joodse begraafplaats te vol geworden, zodat er een nieuwe werd aangelegd aan de huidige Kwakkenbergweg, toen nog vallend onder Groesbeek.
De verlate synagoge aan de Nonnenstraat werd sindsdien door opeenvolgende eigenaren gebruikt als opslagplaats.
 

 
 

In de jaren dertig van de twintigste eeuw kwam er een groot aantal Joodse vluchtelingen naar het dicht bij de Duitse grens gelegen Nijmegen. Dit had tot gevolg dat bij het begin van de bezetting in mei 1940 zich rond de 530 Joden in Nijmegen bevonden.

Zoals overal in Nederland werden ook in Nijmegen in november 1940 alle Joden uit alle overheidsdiensten ontslagen.
Aan het begin van het schooljaar in 1941 werden alle Joodse kinderen uitgesloten van het openbare onderwijs en werd er een Joodse lagere school opgericht. Deze school heeft tot april 1943 gefunctioneerd.

De Tweede Wereldoorlog had rampzalige gevolgen voor de Joodse gemeenschap in Nijmegen. De deportaties begonnen in het najaar van 1942 en hebben tot april 1943 voortgeduurd. De grootste klopjacht op Joden vond plaats in de nacht van 17 op 18 november 1942. Er werden toen meer dan tweehonderd Joden opgepakt en gedeporteerd naar kamp Westerbork. In maart 1944 werd ook een aantal gemengd gehuwde Joden naar kamp Westerbork gestuurd. Zij waren allen in een val gelopen, opgezet door een collaborerende politieagent. Hij had zeven gemengd gehuwden zogenaamd gewaarschuwd dat ze over een uur opgepakt zouden worden.
Toen de mensen hun huizen verlieten om elders een veilig adres te kunnen vinden, arresteerde hij ze omdat ze zich na spertijd op straat bevonden.


De synagoge aan de Gerard Noodtstraat werd door de Duitsers geconfisqueerd en gebruikt als opslagplaats. De hele inboedel is door NSB-ers en Duitsers vernield, zodat vele rituele voorwerpen verloren zijn gegaan.


Voormalige synagoge aan de Gerard Noodstraat, nu het Natuurmuseum.

 
 

De meeste Nijmeegse Joden zijn omgekomen. De ongeveer vijftig overlevenden waren voor het merendeel onderduikers en slechts enkelen keerden terug uit de concentratiekampen.

Met de stichting van een Joodse staat in 1948 komt er voor veel Joden eindelijk een eind aan hun omzwervingen. De wens was dan ook dat de Joden vanaf dat moment in vrede met andere volken zouden kunnen samenleven. Na alle ellende, die in de loop van de geschiedenis over hun hoofden is gekomen, hadden ze er zeker echt op, maar helaas, de latere geschiedenis geeft aan dat deze wens nog steeds niet in vervulling is gegaan.

Na de bevrijding werd ook in Nijmegen het Joodse leven hervat. De voormalige Joodse school werd in gebruik genomen als synagoge. De oude Joodse begraafplaats achter de Mariënburg is in 1961 geruimd,  ondanks dat het ruimen van een begraafplaats zeer tegen het Joodse gebruik indruist.

 
 
Kitty de Wijzeplaats

De oude synagoge aan de Nonnenstraat werd in 1976 door de gemeente Nijmegen in gebruik genomen als dependance van het Nijmeegs museum Commanderie van St. Jan. Maar met de verhuizing van de dependance in 1999 naar het nieuwe museum Het Valkhof aan het Kelfkensbos kwam de voormalige synagoge vrij. De gemeente Nijmegen beschouwde dit als een goed moment om de oude functie van de synagoge te herstellen en stelde synagoge voor een symbolisch bedrag ter beschikking. De synagoge aan de Gerard Noodtstraat werd verkocht en sinds 1980 is het Natuurmuseum Nijmegen er in gevestigd.

Nijmegen is een van de weinige plaatsen in Nederland waar twee monumentale synagogen het stadsbeeld sieren.

In mei 1995 werd op het pleintje, de Kitty de Wijzeplaats, een monument ter nagedachtenis aan de vermoorde Joodse plaatsgenoten onthuld.
Kitty de Wijze maakte deel uit van een joods gezin, dat begin april 1932 van Boxmeer naar Nijmegen verhuisde. Zij  was eerst leerling-verpleegster en daarna stenotypiste.

In de nacht van 17 op 18 november 1942 haalden foute politiemannen het gezin uit hun huis, samen met 200 andere Joden. Hun bestemming was voorlopig Westerbork.
Kitty werkte in Westerbork als verpleegster.

 
 

Op 12 december vertrok een trein naar Auschwitz met aan boord Kitty en Elly de Wijze. Onderweg wierpen zij briefkaarten uit de trein, waarin zij de achtergeblevenen lieten weten dat zij weg moesten en zij riepen hen op flink te zijn. Elly en Kitty wisten niet wat hen op hun onbekende bestemming te wachten stond, want zij verwachtten daar uiteindelijk iedereen terug te zien. Bij aankomst in Auschwitz op 15 december 1942 werden Kitty en Elly onmiddellijk vergast. Zij behoren tot de eerste Nijmeegse Joodse slachtoffers van de Holocaust.
Ieder jaar op 4 mei heeft op dit pleintje een herdenking plaats, met hopelijk een les over hoe het niet en nooit meer moet.