Nijmegen en zijn handel en industrie

 
 

Rond het begin van de jaartelling leefde de inheemse bevolking, die in hoofdzaak in houten onderkomens woonden, voornamelijk van visvangst, veehouderij, jacht en de vruchten van hun primitieve bewerking van de grond.

Toen de Romeinen zich hier vestigden, werden er rond het legerkampen allerlei werkplaatsen ingericht, waarvan de Batavieren weer veel opstaken, zodat ze later diverse vaardigheden van de Romeinen overnamen, met als gevolg, dat daardoor een bepaalde samenwerking ontstond. Op verschillende plaatsen ontstonden er allerlei fabriekjes. Zo hadden de Romeinen op de helling ten noorden van het Kopse Hof al een pottenbakkerij en waarschijnlijk ook een eenvoudige ijzergieterij.  Pottenbakkerijen waren er ook in het huidige Waterkwartier. Weer later verscheen er een geweldige steenbakkerij aan de Holdeurn in Berg en Dal, waar stenen en pannen gebakken werden voor de bouw van de grote legerplaats.
Ook heeft waarschijnlijk ten oosten van het Beekmansdal een Romeinse glasblazerij gestaan, gezien de daar gevonden resten.

Door het gure klimaat van onze streken, pasten de Romeinen hun woningen aan en had ieder huis een haardvuur. Welgestelde Romeinen hadden vaak zelfs een soort centrale verwarming.

In die tijd ontstond er ook een soort ruilhandel, waarbij de oorspronkelijke bewoners graan en vlees leverden, waar de Romeinen geÔmporteerde en ter plaatse vervaardigde producten tegenover stelden. Veel glaswerk werd uit SyriŽ en ItaliŽ geÔmporteerd, terwijl het kostbare sigillata-aardewerk uit Noord-ItaliŽ en uit Zuid-Frankrijk kwam en het bronzen vaatwerk uit Capua. (Capua is thans een onbeduidend stadje in ItaliŽ, maar was vanaf de vierde eeuw voor Christus de rijkste stad van CampaniŽ en na Rome de grootste stad van ItaliŽ).
Veel van die goederen werd vervoerd over de hoofdwegen, die langs de Maas en de Rijn lagen, maar ook door middel van de scheepvaart over deze beide rivieren. Ook was er al handel met Engeland, door de invoer van bronzen spiegels en uit de Oostzee-landen werden luxe materialen, zoals barnsteen, aangevoerd.

Langzaam werd men hier ook meer bekend met het muntgeld, dat bij de Romeinen al langer gebruikt werd, want de gouden, zilveren en bronzen munten vormden bij hen een stabiele basis voor het handelsverkeer.

Na het vertrek van de Romeinen bedreven veel bewoners huisnijverheid, maar kreeg men wel veel last van de economische neergang. Die huisnijverheid bestond uit het maken van kleding en schoenen van wol en leer en dreef men op bescheiden schaal wat handel. De landbouw bleef echter de belangrijkste tak van nijverheid, want het boerenbedrijf was de basis van de economie.

Onder Karel de Grote begon het klimaat voor de handel en nijverheid weer langzamerhand te verbeteren, want Nijmegen was al een kruispunt van de intact gebleven wegen en de ligging van Maas en Waal was daarvoor nog steeds  belangrijk.
 

 
 


Grote Markt rond 1900

Geleidelijk ontstond er meer specialisatie.

Zo waren er mensen die zich bezighielden met brood bakken, bier brouwen en er waren timmerlieden, smeden en wevers. Ruilhandel voer nog steeds de boeventoon, maar naarmate er steeds meer beroepen ontstonden, met daarnaast ook winkels, deed ook het geld meer zijn intrede.

In de loop van de negende eeuw ontwikkelde zich in het gebied van de Lage Markt, Priemstraat Nonnenstraat en Grotestraat een handelsnederzetting die uitgroeide tot een marktplaats van belang.

 
 


Een aantal eeuwen later, in 1230, verhief Hendrik VII Nijmegen tot Rijksstad, dat o.a. de Nijmeegse burgers tolvrijheid gaf in heel het Duitse rijk en verleende hij ook toestemming voor het houden van jaarmarkten. 

Inmiddels was Nijmegen een belangrijke plaats geworden voor het overladen van, voor het Rijnland bestemde vis, zuivel, bier, kaas en laken, of vanuit dat gebied komende producten als turfsteen, kalk, ijzer en aardewerk. (In de middeleeuwen werd het woord laken gebruikt voor geweven wollen stof). Ook diverse geÔmporteerde producten uit Frankrijk, Antwerpen, Gent en Brugge werden hier verladen.

Door alle bedrijvigheid ontstonden er allerlei gilden van ambachtslieden die eenzelfde beroep uitoefenden. Dit waren goed georganiseerde verenigingen van vaklieden, meestal met een sterk godsdienstige inslag. Eeuwenlang hebben die gilden van handwerklieden en kooplieden, die een monopoliepositie hadden, het economische leven in de stad bepaald. Men was zelfs verplicht zich aan te sluiten bij een bepaald gilde en moesten de leden een meesterproef afleggen, zodat de kwaliteit gewaarborgd werd.
De strenge gildebepalingen hielden de onderlinge concurrentie van de gildebroeders goed in toom en beschermden hen tegen de concurrentie van buitenaf. Ook zorgden zij er voor dat er geen overproductie ontstond en werden voor de leden de grondstoffen centraal ingekocht. In 1798 werden de gilden afgeschaft en mocht iedereen voortaan in alle vrijheid elk beroep uitoefenen.
 

 

 

Vanaf de Middeleeuwen tot aan de Tweede Wereldoorlog klopte het economische hart op de al zo schilderachtige Grote Markt. Vooral op de maandag en de donderdag stroomde het plein ís morgens in alle vroegte vol met kooplui, marskramers, broodverkopers, veeboeren en groente- en fruitverkopers. 

Gezien het economische belang van de Grote Markt verrezen er ook allerlei handelsgebouwen.

Omdat de stad aan de Waal in de veertiende en vijftiende eeuw zeer bekend was om de industrie van wollen stoffen (laken), kwam daar een Gewandhuis (Lakenhal) met op de begane grond winkels, woningen en een doorgang naar de St. Stevenskerk. De frontbreedte van het gebouw was zoín vijftig meter. De lakenverkoop bevond zich op de verdieping, waar elke koopman zijn eigen vak had.
Ook het stadsbestuur maakte regelmatig gebruik van de bovenverdieping, waar belangrijke gasten op zang, dans, spijs en drank onthaald werden. 

Een ingrijpende verbouwing in 1600, die het Gewandhuis in een aantal percelen opdeelde, betekende het einde van de openbare functies van de stadslakenhal.

Later verplaatste de lakenproductie zich naar het westen van het land en werd hier tot in de achttiende eeuw het minder verfijnde linnen gemaakt.


Waaggebouw

 
 


Nijmegen had in die tijd ook een primeur.
Gherard van Leempt was namelijk de eerste Nijmeegse drukker. Hij begon  in 1471 een drukkerij in Utrecht en in 1479 keerde hij terug naar de Waalstad waar hij in datzelfde jaar het eerste Nijmeegse boek uitgaf.

Tegenover de Lakenhal was er voor 1412 al een Vleeshuis gebouwd, dat in de plaats kwam van een soortelijke inrichting aan de Grotestraat.  Alleen hier mocht vee worden geslacht en het vlees worden verkocht. In het begin van de zestiende eeuw waren er 24 slagers die er ruimte gekocht of gehuurd hadden. 

Het stadsbestuur oefende ook controle uit op de markthandel en was iedereen verplicht om zijn handel te laten wegen. Naast het Vleeshuis, onder een simpel afdak, stond de stadsweegschaal. Vanaf 1612 verhuisde de stadsweegschaal naar het huidige Waaggebouw.

De Grote Markt was dus de voornaamste plaats waar handelaren en kopers elkaar ontmoetten, maar het belangrijkste aanvoerpunt lag aan de Waalkade, waar graan, hout, turf, houtskool, steenkool, vee, groenten, fruit en vis gelost werden.

De bewerking van de, uit Holland of van elders, aangevoerde vis was in Nijmegen al vroeg een belangrijke tak van nijverheid. Vanaf 1633 werden op de Waalkade geloste tonnen en manden met rivier- en zeevis naar een speciaal aangelegde, door open galerijen omgeven, ruimte gebracht. Deze was via monumentale poorten vanuit de Grotestraat en Achter de Vismarkt toegankelijk.
Grote hoeveelheden haring werden in de zomermaanden gedroogd en gezouten om gedurende de wintermaanden verkocht te worden. Ook werd er haring gerookt. Bijna 250 jaar bleef de Grotestraat het centrum voor de Nijmeegse vishandel, maar kadeverzakkingen noodzaakten de vishandel te verplaatsen naar de Nieuwe Markt.
Daarnaast werd er buiten de Hezelpoort een speciale rokerij gebouwd, gezien het stadsbestuur in 1420, wegens brandgevaar, verbood om binnen de stad vis te roken.

Met de industrie in Nijmegen ging het niet geweldig, vele pogingen om daar verbetering in te brengen mislukten vaak. Heel de zeventiende eeuw was met daar druk mee, maar door de zuigkracht van het westen met zijn concurrentie, wilde dat maar niet lukken.

De handel en scheepsvaart bloeiden wel, want Nijmegen was een welvarende stad, de grootste en de rijkste van Gelderland.  Zo kwam er in de zestiende eeuw, naast de Grote markt, een tweede korenmarkt op de Lage Markt. Maar de ruimte daar was al snel te krap en verhuisde de markt vanaf 1653 naar de Korenmarkt.

 
 


Looimolen aan de Graafseweg


Toch kwam er een kentering in de welvaart. In de loop van de achttiende eeuw koos het scheepvaartverkeer steeds meer voor de Rijn en duurde het tot het eind van de negentiende eeuw, toen de scheepvaart, met grotere en snellere schepen, weer voor De Waal koos.  

Gedurende de Bataafs-Franse tijd werd het Europese vasteland grotendeels door Frankrijk beheerst, met als belangrijkste vijand het zeevarende Engeland. De tegen Engeland gerichte economische politiek, het beruchte  Ďcontinentale stelselí was voor het handelsland Nederland rampzalig en zo ook voor Nijmegen. De achteruitgang van de welvaart zorgde ervoor dat een van de belangrijkste takken van de Nijmeegse nijverheid, de bierbrouwerijen, snel achteruit ging.

Ook waren er in 1795 vier hoedenfabrieken in Nijmegen, waar twintig tot dertig mensen hun kost verdienden. In 1816 waren het er nog maar drie, met totaal slechts drie werknemers.

In die tijd had Nijmegen ook enkele leerlooierijen, waarvan de Witte of Looimolen aan de Graafseweg de bekendste was en nu nog te bezichtigen is.

 
 

Het boerenbedrijf binnen Nijmegen en in de dorpen in de omgeving bleef nog lang erg belangrijk voor de werkgelegenheid.

Zo gebeurde het dat de Nijmegenaren steeds minder in hun eigen levensbehoefte konden voorzien en werd er steeds meer handel gedreven. Omdat de Grote Markt in die tijd nog steeds het sociaal-economisch middelpunt van de stad vormde, was het gunstig om zich in de directe nabijheid van de markt te vestigen. Dit gebeurde o.a. in de Hezelstraat, die oudste winkelstraat van Nederland. Buiten aan het raam, onder luifels, werd van alles verkocht, maar geleidelijk aan verplaatste de verkoop zich van buiten naar binnen en ontstonden de eerste winkels in de Hezelstraat.

In 1850 kreeg de firma Schretlen uit Leiden het alleenrecht om de stad gedurende twintig jaar van gas te voorzien voor de straatverlichting, maar dat bedrijf was slecht en te duur. Daarom werd het contract niet verlengd en had de gemeente in 1872 haar eigen gasfabriek in Bottendaal, die tot 1955 bleef staan. Daarna ging Nijmegen over op kolen- en mijngas.

De wallen rond Nijmegen beleven tot ongeveer 1880 staan, zodat de sterk toenemende bevolking steeds meer opeen gepakt raakte en was er voor grote fabrieken totaal geen plaats. De industrie in Nijmegen bestond hoofdzakelijk uit kleine bedrijfjes, zoals tabakskerverijen, sigarenfabriekjes, likeurstokerijen, een katoendrukkerij, gewone drukkerijen, fabriekjes van koperen en namaak-zilveren tabaksdozen en een katoenspinnerij. Deze laatste was toen een van de grote bedrijven in Nijmegen, dat gevestigd was in de MariŽnburgkapel en ooit aan 170 mannen, vrouwen en kinderen werk verschafte. Eigenlijk was deze fabriek meer een vorm van armenzorg met een subsidie van de gemeente van 60 cent per maand per werknemer. De werkomstandigheden waren voor die tijd niet echt slecht met een werktijd, inclusief een uur pauze, van dertien uur per dag.

Het grootste bedrijf was lange tijd de zeepfabriek met een traditie uit 1733, toen twee broers De Mist het alleenrecht hadden voor zeepproductie en de leverantie daarvan.

 
 

Toen dat recht in 1795 kwam te vervallen was het bedrijf al een plaatselijke grootheid.

In de eerste helft van de negentiende eeuw stond de Zeepziederij Het Anker in de Lange Brouwerstraat en was Jan van der Heijden uit Den Bosch de eigenaar.
Ook was hij in 1851/52 de man achter de oprichting van de tweede Nijmeegse Stoomvaartmaatschappij, samen met de Duitse tabaksfabrikant J.P. Dobbelmann, die in 1854 Het Anker overnam. Opeenvolgende generaties Dobbelmann bleven firmanten en werden topfiguren in de betere kringen, vooral bij de katholieken.
Na een brand in 1895 kreeg de fabriek een nieuw onderkomen in Bottendaal. Nu bestaat Dobbelmann niet meer. In 1999 moest het sluiten.

 

 

 

 

 

 

 

 

Dobbelmann

 
 


Na de afbraak van de wallen in 1880 waren er ineens veel bouwactiviteiten en kwam er zelfs meer industrie. Enkele hiervan waren: Van Meulenberg, Schnitzler en Dickman, een paraplufabriek, de firma Gebroeders Noorduijn met een stoomtabaksfabriek ďHet Wapen van AmericaĒ, drukkerij G.J. Thieme en de Gelderlander. Daarnaast was er een sterke groei van de al bestaande tabaks- en sigarenindustrie.  
Door al die bouwactiviteiten nam ook de baksteenfabricage een enorme sprong, die werk bood aan veel mensen uit Nijmegen en de omliggende dorpen. De bekendste steenfabriek was die van Terwindt & Arntz.

Toch was niet alles rozengeur en maneschijn in Nijmegen. De stad lag te ongunstig en er was geen industriŽle traditie. Daarnaast was er van 1870 tot ongeveer 1890 een landelijke economische teruggang.
Op initiatief van de burgerij kwam in 1865 de spoorwegverbinding Nijmegen-Kleef tot stand, ter ere waarvan later het Spoorwegmonument in de omgeving van het Valkhof tot stand kwam. Veel later, in 1879,  vond de broodnodige aansluiting op het landelijk spoornet plaats, eerst met Arnhem en in 1881 met Den Bosch, gevolgd door Venlo in 1883. Alleen brachten deze aansluitingen ook niet datgene van wat men er van verwacht had.
 

 
 


Vroom & Dreesmann rond 1910 aan De Grote Markt hoek Broerstraat

Wel versterkte de stad haar positie als verzorgingscentrum voor de regio en als aantrekkelijke verblijfplaats voor kapitaalkrachtige lieden.

De middenstand,  die in de tweede helft van de negentiende eeuw een sterk opkomende sociale klasse in Nederland was, profiteerde hier van. Het gevolg was dat het aantal winkels tussen 1880 en 1900 toenam.

In 1839 opende Bernhard Bahlman zijn derde filiaal in stoffen, die hij later uitbreidde met een meubel- en tapijtafdeling en opende hij op de hoek van de Grote Markt en Broerstraat een herenkledingmagazijn.
In 1894 werd een gedeelte verkocht aan de heren Vroom en Dreesmann uit Amsterdam.
Hier opende Nicolaas Dreesmann in 1895 zijn manufacturen- en mantelmagazijn ďde ZonĒ.

Pas tien jaar later werd hier een moderne Vroom en Dreesmann geopend, gezien er nog een concurrentiebeding met Bahlmann bestond, dat in 1913 afliep. 

 
 

Toen in 1890 de economie weer aantrok ontstonden er nieuwe industrieŽn, die grotendeels van buiten de stad kwamen. Zo ontstonden er enkele margarinefabriekjes, een drietal papierfabrieken, kartonnagefabriekjes en een asfaltfabriek.  Door de eerste wereldoorlog, toen vele Nijmeegse arbeiders plotseling geen werk meer hadden in de schoenindustrie in Kleef, kwam er een Nijmeegse schoenindustrie op gang met fabrieken als Swift, Robinson en Nimco. Deze laatste had zich gespecialiseerd in kinderschoenen. Een belangrijke nieuwe industrie werd de lichte metaalnijverheid. Er kwamen enkele machinefabrieken, die soms ook scheepswerfjes waren, dat overigens maar weinig voorstelde, een fietsen- en kinderwagenfabrikant aan de Weurtseweg van Rosendael & Co., waarvan de naam later veranderde in N.V. de Nederlandsche Kinderwagenfabriek en nog later in Patria. Inmiddels waren er meer fietsfabrikanten bijgekomen, o.a. Gruno aan de Wolfskuilseweg. 

De veemarkt, die sinds de late zestiende eeuw op diverse plekken in de binnenstad van Nijmegen plaatsvond, werd rond 1885 naar de Nieuwe Markt verplaatst. De veemarkt was  succesvol, zodat men rond 1939 nieuwe Veemarkthallen bouwde, waardoor de oude Korenbeurs moest wijken. Bij de Veemarkthallen hoorde een poortgebouw dat de naam ďTerminusĒ droeg. Dit had betrekking op de nabijgelegen tramremise. Eind jaren tachtig van de twintigste eeuw werden de hallen gesloopt, na nog enige tijd als sportaccommodatie dienst te hebben gedaan.

 
 


In 1885 had Nijmegen al een elektrotechnische industrie en daar lag Nijmegen landelijk gezien in voorop. Door haar gasfabriek ging Nijmegen in zee met de 26-jarige Willem Smit uit Kinderdijk. Hij bouwde in 1886 de eerste gemeentelijke elektriciteitscentrale van Nederland en legde ook een beperkt gemeentelijk lichtnet aan. In 1908 werd er een nieuwe elektriciteitscentrale gebouwd, alleen nu als zelfstandig gemeentelijk bedrijf en werd het lichtnet uitgebreid, zodat straatverlichting en woningen er op aan gesloten konden worden.
Willem Smit & Co ging verder als transformatorenindustrie en werd een van de toonaangevende bedrijven van de stad, die nog steeds actief is op dit gebied.


Smit Transformatoren aan de Groenestraat

 
 


De in 1880 uitgevonden gloeilamp zorgde ervoor dat aan de Dominicanenstraat de vierde gloeilampenfabriek van Nederland kwam te staan van Roothaan & Alewijnse, later onder de naam PhaŽton. Vermeldingwaardig is, dat de bekende gloeilampenfabriek in het zuiden van het land pas twee jaar later het daglicht zag.

Aan de van Diemerbroeckstraat kwam in 1897 de schroeven- en moerenfabriek van Blok en Gerritsen. Die naam werd twee jaar later veranderd in The Automatic Screw Works. In de volksmond kreeg die al snel de Nippelkeet. In die tijd waren er meer fabrieken die een Nimweegse naam kregen. De fabriek van de Honig werd stiefselkeet genoemd en de Nederlandse Verbandwattenfabriek aan de Voorstadslaande wattenkeet.

Aan de Dr. Jan Berendsstraat kwam een nieuwe vestiging van A.S.W., waar voor die tijd nogal wat ingewikkelde producten werden gemaakt, waaronder gasgeisers.

Daarentegen was de tabaksindustrie na de Eerste Wereldoorlog zo goed als verdwenen, gezien de lonen in Nijmegen, vergeleken met Brabant, te hoog waren geworden.

 
 

Daar stond tegenover dat door de Nijmeegse welvaart de chocolaterie van bakker van Dungen uitgroeide tot een redelijk grote fabriek aan de Groenestraat. Beroemd waren die verrukkelijke Mekkaís met noten en rozijnen en de Jamaica-rumbonen. Ook beroemd was de goddelijke chocoladelucht die vaak in de omgeving van de Groenestraat hing.

Een andere belangrijke fabriek was de in 1928 opgerichte N.V. Kustzijdespinnerij de Nyma die uitgroeide tot het grootse bedrijf van dat moment in Nijmegen, met meer dan duizend werknemers, ondanks de toen heersende crisistijd.

 
 

Natuurlijk kwamen er in de loop van de tijd meer industrieŽn, onder andere: Katoendrukkerij Bahlmann (Bale man in de volksmond) aan de Oude Haven (in 1851 nog Nieuwe haven genoemd), koekfabriek Van Ooijen, N.V., Vababi, een fabriek voor bakkerijgrondstoffen aan Jan de Wittstraat, Melkerij Lent aan de Van Gentstraat, Lampenfabriek Splendor aan de St. Annastraat, Tricotgoederenfabriek Muller & Co aan de Tollenstraat, etc.

Voor Nijmegen verliep de Tweede Wereldoorlog relatief rustig tot op 22 februari 1944, toen geallieerde bommenwerpers een groot deel van de binnenstad verwoestten door hun vergissingsbombardement, waarbij bijna 800 mensen de dood vonden en vele duizenden gewond raakten.
In september van dat jaar werd Nijmegen bevrijd, maar de stad zou nog een half jaar in de frontlinie liggen. Ook hierbij vielen honderden doden en was er veel materiŽle schade.
 

 
 

De wederopbouw, die traag op gang kwam, begon met de bouw van noodwoningen en noodwinkels. Vervolgens werd de verwoeste bovenstad planmatig aangepakt: straten werden verbreed en recht getrokken, een nieuw plein werd aangelegd: Plein 1944.  In 1956 was de eerste fase van de wederopbouw voltooid. De toren van de St. Stevenskerk en het stadhuis waren in hun oude glorie hersteld. De oudste stad van het land had nu een van de modernste winkelcentra van het land. In het bijzonder de nieuwe winkelpanden in de Burchtstraat zijn sprekende voorbeelden van wederopbouwarchitectuur, evenals de Molenstraatkerk, het stationsgebouw en de stadsschouwburg.


Ondanks al die activiteiten bleef Nijmegen een bescheiden industriestad, ondanks dat na de Tweede Wereldoorlog er best wel sprake was van een redelijke uitbreiding, maar echte nieuwe vestigingen waren er nauwelijks bijgekomen. In 1950 zat bijna 10 procent van de mannelijke industriŽle beroepsbevolking zonder werk.


Broerstraat rond  1925

 
 


Inmiddels was begonnen met het aanleggen van een haven- en industrieterrein aan het Maas-Waalkanaal, dat in 1953 al volledig bezet was. Ook kwamen er industrieterreinen aan St. Teunismolenweg, Weurtseweg-Lijnbaanstraat, Marialaan, St. Hubertusstraat en Energieweg. In 1963 werd het industrieterrein aan de Westkanaalhaven aangelegd. Intussen hadden Philips, nu NXP, die voor lange tijd een van de belangrijkste werkgevers van de stad was, zich in Nijmegen gevestigd. Ook Friden Holland N.V., Controls Europa N.V.  Hyster Europe N.V. en NAMI hadden zich in Nijmegen gevestigd, waarvan enkelen niet meer bestaan of de stad de rug hebben toegekeerd.
Daarnaast vestigden zich hier ook diverse kleinere fabrieken, zoals een betonfabriek, een fabriek voor staalconstructies, metalen ramen, oliestookinstallaties, binnenschepen, tricotages, verbandmiddelen en dames- en herenconfectie.

 
 
NXP voorheen Philips

Ondanks al die uitbreidingen bleef Nijmegen een stad die gericht is op dienstverlening en onderwijs. De komst in 1923 van de katholieke universiteit gaf deze ontwikkeling nog een extra stimulans en is na de oorlog uitgegroeid tot de grootste werkgever van de stad.

Natuurlijk hebben er in de loop der jaren zich meerdere industrieŽn in Nijmegen gevestigd en ontstonden er meerdere industrieterreinen, zoals de Winkelsteeg en Bijsterhuizen. Bij deze laatste is sprake van een unieke samenwerking tussen de gemeente Nijmegen en de gemeente Wijchen.