Nijmegen en zijn godsdienst

 
 

De Romeinen brachten aan het begin van de jaartelling hun eigen goden mee, die zich later geleidelijk mengden met de inheemse godsdienst. Zo zijn er uit de tijd van Ulpia Noviomagus twee tempels ontdekt, waarvan resten zijn gevonden in het Waterkwartier.

Het eerste kerkje heeft op het Valkhof gestaan en dateert waarschijnlijk uit de zevende eeuw en was vrijwel zeker aan Sint Steven toegewijd.

Al vroeg bepaalden kerken en kloosters voor een belangrijk deel het Nijmeegse stadsbeeld.  Ruim voor de dertiende eeuw kende Nijmegen al enkele omvangrijke kloosters. De Predikbroeders bezaten aan de Broerstraat een klooster en de Hospitaalridders of Ridders van St. Jans beschikten over een uitgestrekt complex met een kerk dat buiten het terrein van hun Commanderie lag. Iets lager en westelijk daarvan, bij de Nonnenstraat, lag het Maria Magdalenaklooster, het oudste vrouwenklooster van Nijmegen.

 
 

Rond 1935: links de St.Stevenskerk, midden  de Augustinuskerk rechts de Canisiuskerk

Op de plaats waar nu de St. Stevenskerk staat werd een kerk gebouwd die in 1273 ingewijd werd door de bisschop van Keulen.
In de huidige St. Stevenskerk zijn nog brokstukken van de oude kerk terug te vinden.  
Vanaf 1475 werd de kerk grondig vernieuwd, waar ongeveer 300 jaar mee gemoeid was.

Rond de kerk werden kanunnikenhuisjes gebouwd. Kanunniken legden geen gelofte van armoede af, dat bij gewone kloosterlingen wel de gewoonte was. Kanunniken werden door de gemeenschap betaald en hielden toezicht op het onderwijs aan de Latijnse School en de zanglessen voor de kerkdienst.

 
 

In het Observantenklooster bracht Johannes Brugman, een van de beroemdste kloosterlingen uit de dertiende eeuw, zijn laatste levensjaren door en stierf er in 1473. De zegswijze Ďpraten als Brugmaní kennen we allemaal. Zijn preken waren beroemd en er is geen stad in Nederland, of hij heeft er wel op de kansel gestaan. 

In de veertiende eeuw werden ook kloosters buiten de omwalling van de stad gebouwd, waarvan een aan de Molenstraat en twee vrouwenkloosters tussen de Ziekerstraat en de Hertsteeg.

Als Middeleeuwse stad kende Nijmegen steeds meer kloosters, zoals die van de Witte Vrouwen in de Nonnenstraat, de Johanietsers in de Commanderie, de Predikbroeders (Dominicanen) aan de Broerstraat,  de Reguliere Kanunniken in de Molenstraat, de Cellebroeders in de Pikkegas, de zusters van Bethlehem aan de MariŽnburg en verder lagen er aan de Hessenberg  drie vrouwenkloosters.  
Naast al die kloosters stonden er in de stad ook gods- en gasthuizen, die gesticht waren door broederschappen, godsdienstige verenigingen van welvarende burgers, die het als hun vrome plicht zagen armen te voeden en behoeftige zieken te verplegen.

Ook waren er begijntjes die samenleefden in begijnhoven, waarin het midden vaak een kapel stond. Begijntjes waren gelovige vrouwen die beloofden te leven in kuisheid en eenvoud. In Nijmegen waren begijnhoven in de Begijnenstraat, op de Hessenberg, aan de Hessenberggas en het MariŽnburg. Later ontwikkelden deze hoven zich tot echte kloosters.

 
 

Ernstige wantoestanden in de katholieke kerk zorgden aan het eind van de Middeleeuwen steeds  vaker voor kritiek op de pausen, bisschoppen en priesters. Bisschoppen waren vooral wereldlijke machthebbers en die kerkelijke ambten werden begeerd om hun rijke inkomsten.  Tegen het grote verschil tussen de rijke kerk en de armoede onder de burgerij trok in het Duitse Wittenburg de monnik Maarten Luther van leer, maar kreeg hij in Gelderland weinig aanhang, gezien hertog Karel van Gerle angstvallig waakte over de eenheid onder het katholieke gezag.

In 1566 kreeg Nijmegen met het calvinisme te maken, maar kreeg hier weinig aanhangers.
Toch sloeg op een gegeven moment de vlam in de pan. De beeldenverering was voor de calvinisten een ware gruwel en zagen enkele heethoofden de kans om op het Stevenskerkhof een kruisbeeld te vernielen en bij een Mariabeeld de kroon van het hoofd te stoten. Ook de beelden van Sint Christoffel en van Sint Anthonius werden vernield.  De katholieke meerderheid in Nijmegen kwam in opstand.


Klooster Doddendaal

 
 

In 1591, toen Prins Maurits de stad veroverde, kwam er een beslissende wending in de geschiedenis, omdat het de katholieken verboden werd openlijk hun godsdienst te belijden en moesten kloosters en kapellen uit het straatbeeld verdwijnen of kregen ze een andere bestemming.

Jarenlang bepaalde de politieke situatie voortaan welke godsdienst in de stad de overhand had. Toen de stad in Spaanse handen was, was de katholieke godsdienst de enige toegestane religie. Schaarde de stad zich aan de kant van de opstand, dan maakten de calvinisten de dienst uit.

Eeuwenlang hadden de hervormden het in Nijmegen voor het zeggen en in de negentiende eeuw was een kleine bovenlaag van de bevolking overwegend protestant, maar van de bevolking was de meerderheid katholiek.  Bij een bezoek in 1808 van koning Lodewijk Napoleon aan Nijmegen, gaf hij de opdracht de Broerskerk en de Reguliers- of Gashuiskerk terug te geven aan de katholieken.

Toch, tot diep in de negentiende eeuw, wisten de protestanten hun overwicht op sociaal, cultureel en politiek gebied te handhaven. Maar geleidelijk aan werd het emancipatieproces van het katholieke volksdeel in gang gezet.  Naast de monumentale hervormde Stevenskerk, verschenen er in de negentiende eeuw steeds meer torens van katholieke kerken, zoals de kerk van Sint Franciscus. De bestaande Broerskerk kreeg naast een nieuwe zijbeuk, een slanke toren en vlakbij de oude Stevenskerk werd de Augustijnenkerk gebouwd.  In de Molenstraat verrees de Canisiuskerk, de Carmelkerk aan de Doddendaal en aan het Keizer Karelplein verrezen twee nieuwe kerken.
De geweldige groei van het aantal katholieken zette zich door en had o.a. veel te maken met de vesting van de katholieke universiteit in 1923, dat werd gezien als een bekroning van het emancipatieproces.