Nijmegen en zijn historie

 

 
 

Nijmegen is een stad met een rijk verleden met een lange bewoningsgeschiedenis. De oudste sporen dateren al uit de steentijd, zo'n 7000 jaar geleden.
 

Vanaf vlak voor onze jaartelling is er meer bekend over de stad en is het duidelijk dat er op een van de mooiste en strategische plekjes aan de Waal toen al veel bedrijvigheid was.

 

Nijmegen had in de loop van de eeuwen ook veel namen: Novimagus, Novomagus, Noviomagus, Neomagus, Noviomagi, Numaga, Nieumeghen en Nimmegen. Daarnaast komen we in de loop van de Nijmeegse geschiedenis verscheidene vermaarde personen tegen, zoals keizer Traianus, Karel de Grote, Frederik Barbarossa, de hertog van Alva, Prins Maurits en Prins Willem V.

 
 


Achthoekige Valkhofkapel

Begin jaartelling.

 

De Bataven woonden hier al voor de jaartelling en noemden hun stad Oppidum Batavorum (stad der Bataven). Deze plaats is zeer strategisch gelegen, wat ook de voornaamste reden was dat de Romeinen met hun leger, dat uit 12.000 man bestond, hier neerstreken en Nijmegen een tijd lang de grootste stad van het toenmalige Nederland was.

Vandaar dat Nijmegen dus ook de oudste stad van Nederland is en het bewijs daarvan is de vondst van een bijzondere zuil op het Valkhof. De Maastrichtse stadsarcheoloog Panhuysen dateerde de resten van deze 'Godenpijler' op 17 na Christus. Een godenpijler betekende in de Romeinse tijd dat die plek werd gezien als een bestuurlijk centrum en daarom een belangrijke plaats was.

De Romeinen vestigeden zich op de heuvelrug langs de Waal, dat gebruikt werd als uitvalbasis voor veroveringstochten in het Germaanse gebied. Ze bouwden daar een legerkamp (Castra), dat uit hout en leem opgetrokken was. Dit gebied besloeg een strook van ca. 5 kilometer langs de Waal en op de heuvelrug in het oosten van de stad. Dit legerkamp was onderdeel van een strategische reeks van legerplaatsen, waar de troepen tijdelijk lagen die de verovering van Germania moesten bewerkstelligen.

Vandaar dat Nijmegen in de Romeinse tijd de belangrijkste Romeinse nederzetting van Nederland was. Sporen zijn gevonden op de Hunerberg ten oosten van de hedendaagse stad, waar een legerplaats werd ontdekt.

Rond diezelfde tijd vestigden de Bataven, immigranten uit Hessen, zich in het stroomgebied van de Waal en hadden in eerste instantie een soort bondgenootschap met de Romeinen. Zodoende deden veel van de Bataafse mannen dienst in het Romeinse leger, sommigen zelfs als lijfwacht van de keizer. De meeste konden Latijn spreken, lezen en schrijven.

 

In  het jaar 67 kwamen de Bataven, onder leiding van Julius (Claudius) Civilis, in opstand tegen het Romeinse gezag waarna in het jaar 70 die opstand werd neergeslagen met niet minder dan acht legioenen.
Om de rust in dit gebied te verzekeren, werd het tiende Romeinse legioen en later ook andere legereenheden in de legerplaats op de Hunnerberg ondergebracht. 

Dit alles bracht veel bedrijvigheid met zich mee waardoor er een kampdorp kwam met werkplaatsen, winkels, kroegen en zelfs een amfitheater.

 

Twee kilometer naar het westen ontstond de burgernederzetting Ulpia Noviomagus Batavorum, de hoofdstad van de Bataven. Marcus Ulpius Traianus zorgde ervoor dat de stad in het jaar 105 marktrechten kreeg.

 

Een grote brand aan het einde van de tweede eeuw maakte een einde aan de welvaart van de stad. De tempels werden verwoest en niet weer opgebouwd. In dezelfde periode werd de stadsmuur gebouwd om weerstand te bieden aan de Germaanse invallen.

 

Rond het jaar 270 laaide de strijd van de Germanen weer op. In die tijd begon Rome de greep op Europa te verliezen en waren de Romeinen een eeuw later gedwongen zich voorgoed terug te trekken van de noordelijke grens, de Rijn.
 

 

Vanaf de vierde eeuw

 

In het begin van de vierde eeuw werd op het Valkhof een verdedigingsburcht bebouwd aan de buitenkant omgeven door zeer diepe grachten zonder water. Op de Waalkade onder aan de helling van het Valkhof, lag een handelsnederzetting. Huizen van deze nederzetting waren tegen de zware keermuur aangebouwd tussen steunberen. Een deel van die muur is nu nog te bezichtigen onder het Holland Casino. Twee grote grafvelden uit deze periode zijn deels onderzocht, in de binnenstad en op het terrein rond het Margrietpaviljoen.

 

Aan het einde van de vierde eeuw, na de val van het Romeinse rijk, raakten Europese volkeren op drift en maakten de uit het zuiden oprukkende Franken zich meester van de nederzettingen aan de Waal.


Oude stadsmuur

Ze bouwden op de resten van een Roemeins fort op het Valkhof een palts, een versterkt paleis, waar vanuit zij het omliggende gebied bestuurden.

 

Over de geschiedenis van de vroege Middeleeuwen en hoe de ontwikkelingen in Nijmegen toen zijn geweest is weinig  bekend. Met het bezoek van Karel de Grote komt, wat de politieke geschiedenis betreft, een einde aan deze duistere eeuwen van de Nijmeegse geschiedenis.
 


Ruiterstandbeeld Karel de Grote op het Keizer Karelplein

Vanaf de achtste eeuw.

 

Onder Karel de Grote, die in 768 zijn vader Pippijn de Grote als koning van de Franken opvolgde, ontwikkelde het Frankische rijk tot een machtige Europese staat. Regelmatig trok Karel door zijn uitgestrekte rijk en verbleef dan op de palts. Daar leefde hij met zijn gevolg van het aan hem toekomende deel van de opbrengst van de Koninklijke landerijen. Wanneer alles op was, trok hij verder. 

Keizer Karel de Grote zorgde ervoor dat Nijmegen een Keizerlijke stad werd.

Onder Karels opvolgers verzwakte het Frankische rijk en viel het in negende eeuw uiteen in drie delen, waarbij de lage landen werden opgenomen in het Duitse Rijk.

 

Inmiddels waren Scandinavische zeerovers op rooftocht in de kustgebieden, maar door die verzwakking drongen zij al plunderend tot ver in het land door. In de winter van 880/81 verbleven ze zelfs op het Valkhof, waarna ze bij vertrek de palts in brand staken. Later werd het paleis weer opgebouwd.

Vanaf de elfde eeuw.

 

Het paleis op het Valkhof werd in 1047 opnieuw in brand gestoken, waarbij alleen de in 1030 gebouwde Sint Nicolaaskapel gespaard bleef.

De Valkhofburcht werd door Frederik Barbarossa in het midden van de twaalfde eeuw in zijn oude luister hersteld, maar in de daarop volgende eeuwen nog vaak verbouwd en versterkt.

(In 1796 werd de reusachtige burcht gesloopt. Alleen de Sint Nicolaaskapel en de Barbarossa-ruïne zijn nu nog op het Valkhof te vinden.)

 

Een kleine burgernederzetting aan de voet van de Valkhofheuvel breidde zich gestadig uit richting de Waal en later ook tegen de helling van de huidige benedenstad, die uitgroeide tot een handelsnederzetting van betekenis, dat in 1230 bevestigd werd, toen Hendrik VII van het Duitse Rijk de inwoners stadsrechten verleende. 

 

De Hollandse graaf Willem II, die in 1247 door de paus in Rome tot Rooms-koning van het Duitse Rijk was benoemd, zat al meteen om geld verlegen. Vandaar dat hij van graaf Otto II van Gelre 16.000 zilveren marken leende en daarvoor Nijmegen in onderpand gaf. Deze schuld werd nooit ingelost en werd Nijmegen zo een Gelderse stad. 

Geleden heeft de stad er niet onder, want Nijmegen kreeg steeds meer stedelijke voorrechten en de daaraan verbonden zelfstandigheid.

 

Op de Valkhofburcht zetelde de burggraaf van Nijmegen, die vanaf 1247 de graven en later de hertogen van Gelre vertegenwoordigde. De burggraaf was voorzitter van de twaalf leden tellende schepenenbank die de hoogste rechtbank was in de stad en het Rijk van Nijmegen. Daarnaast had de stad een eigen stadsbestuur dat ook recht sprak. De raadsleden en de schepenen waren afkomstig uit aanzienlijke Nijmeegse families en ridderlijke geslachten uit de omgeving.
Uit de raad werden twee burgermeesters gekozen die zich bezig hielden met de dagelijkse gang van zaken en waakten over orde en vrede. 

 

Rond 1273 werd op de Hundrisburg een nieuwe kerk gebouwd, ter vervanging van de oude parochiekerk op het Valkhof, gezien die in het schootsveld lag. Op dit hoger gelegen plateau kwam het nieuwe centrum van Nijmegen te liggen en werd het woongebied omstreeks 1300 omgeven door een wal of muur.

Gezien de stad steeds bleef groeien moest de omwalling regelmatig worden aangepast.

 

In de veertiende eeuw werd een meer stevige muur gebouwd die een groter gebied omsloot. Toen de stad toch weer vol raakte werd er ook buiten de muren gebouwd en werd zo’n buitenwijk soms ook weer ommuurd.

Lang had Nijmegen een overwegend agrarisch karakter gehouden, maar vanaf de veertiende eeuw werd de nijverheid en handel steeds belangrijker.

 

Vanaf de vijftiende eeuw.

 

Nijmegen werd erkend als Hanzestad en ambachtslieden en kooplieden organiseerden zich in gilden, waarvan het schippersgilde de rijkste was, die via hun overkoepelende organisatie, het Sinter Claesgilde, ook invloed uitoefende op het stadsbestuur. Ook landbouw en veeteelt bleven een belangrijk middel van bestaan.

Nijmegen had twee grote, vrije jaarmarkten, verscheidene weekmarkten en voor bepaalde producten zelfs dagmarkten.
Later in de middeleeuwen werd Nijmegen ook een stad van kunst en cultuur.

De stad beleefde hoogtijdagen, want houten huizen werden vervangen door uit steen opgetrokken panden en de Sint Stevenskerk werd te klein zodat er ook elders in de stad kerken gebouwd werden.


Zich op Nijmegen Valkhof

 Valkhof

Ondanks de toenemende welvaart, was toch nog eenderde van de bevolking armlastig. Sociale voorzieningen bestonden nog niet. Omdat het stadsbestuur bevreesd was voor onlusten, zag het erop toe dat de broodprijzen niet te veel stegen.

Toch werden de minder bedeelden niet aan hun lot overgelaten. Kloosters, gasthuizen en broederschappen deelden geld uit aan zieken, weduwen en wezen.

 

In de Middeleeuwen en nog lang erna kende Nijmegen twee soorten inwoners: burgers, die de meeste rechten hadden en ingezetenen. Daarnaast had je ook nog grootburgers, die weer meer rechten hadden dan de kleinburgers. Burgerrecht was wel te koop, maar dan moest men wel te goeder naam en faam bekend staan, niet van derden afhankelijk zijn, zich gevestigd hebben en niet in een andere stad al burgerrechten bezitten. Meestal werd het burgerrecht verkregen door vererving of huwelijk.

Naast de diverse rechten waren er ook verplichtingen, zoals het helpen bij de verdediging van de stad, het bestrijden van brand en het schoon houden van de stadsgrachten.

 

Nijmegen werd de belangrijkste stad van het gewest Gelre en de hoofdstad van het kwartier van Nijmegen, een van de vier kwartieren. De andere hoofdsteden  waren Arnhem, Zutphen en Roermond.
 

In 1463 ontstond er een conflict tussen Nijmegen en Arnoud van Egmond. Samen met Arnhem en Zutphen probeerde Nijmegen van deze hertog af te komen door zijn zoon Adolf naar voren te schuiven als nieuwe landsheer, die daar wel oren naar had en liet hij zijn vader in 1468 gevangen zetten.

Door ingrijpen van de Bourgondische hertog Karel de Stoute kwam Arnoud in 1471 weer vrij en was het de beurt voor Adolf om in de gevangenis te gaan zitten.

Na de dood van Arnoud verviel het hertogdom Gelre aan Karel de Stoute.

 

Nijmegen bleef zich een lange tijd verzetten tegen de Bourgondische heerschappij, maar werd in 1481 veroverd door de Oostenrijks-Bourgondische legers van keizer Maximiliaan van Habsburg.

Nadat de keizer in 1487 door de Fransen was verslagen, werd Adolfs zoon Karel van Egmond, beter bekend als Karel van Gelre, hertog van het gewest.

Maar ook met deze oorlogszuchtige en op macht beluste hertog lag de stad al snel overhoop en was hij ook regelmatig verwikkeld in oorlogen tegen naburige gewesten. Al die oorlogen kostte de stad handenvol geld en was voor Nijmegen de maat vol toen Karel in 1537 het gewest wilde overdoen aan de Franse koning. 

Voordat hij zijn plannen had kunnen verwezenlijken, stierf Karel in 1538.

Zijn opvolger, Willem van Kleef en Gulik, was niet opgewassen tegen de machtige legers van Keizer Karel V, de kleinzoon van Maximiliaan van Habsburg, die ook heer van de Bourgondische gewesten was. Uiteindelijk moest Gelre zich in 1543 gewonnen geven en waren daarmee voor het eerst alle Nederlandse gewesten onder één centraal gezag verenigd en werd er voortaan vanuit Brussel geregeerd.

 

De keizer wist de stad voor zich te winnen door de stedelijke privileges te respecteren en zelfs uit te breiden. Wel moest er streng worden opgetreden tegen de ketterse leer, dat in Nijmegen vooral de Lutheranen waren.
Gezien het stadsbestuur vond dat het ging om een stedelijke aangelegenheid, maakte men weinig haast met het aanpakken van deze nieuwe godsdienst. Nogmaals drong de keizer aan op het naleven van de regeringsbesluiten,  maar de hervorming was niet meer te stuiten.

Aanvankelijk werd de nieuwe leer buiten de stad gepredikt, maar het duurde niet lang of de calvinistische predikanten vertoonde zich ook binnen de stadsmuren.

In 1566 namen de calvinisten overal in Nederland bezit van de kerkgebouwen, maar de ‘beeldenstorm’ bleef Nijmegen bespaard.

Ondanks de grote tegenstellingen tussen de katholieken en calvinisten, wisten de katholieken de overhand te krijgen, ook binnen het stadsbestuur van Nijmegen.

Tegen de calvinisten werd streng opgetreden en zocht het stadsbestuur steun bij het Spaanse gezag.

 

Niet veel later, in 1568 brak de Tachtigjarige Oorlog uit en werd Nijmegen, door het gewapende verzet in de gewesten Holland en Zeeland, van grote strategische betekenis voor het Spaanse gezag.  Het garnizoen in de stad werd uitgebreid, verdedigingswerken versterkt en werd de hertog van Alva door de Spaanse koning Filips II naar het noorden gestuurd om de opstand neer te slaan. Op de Mookerhei leden de opstandelingen een gevoelige nederlaag en werd Nijmegen daardoor een belegering bespaard.

 

Twee jaar laten wist Willem van Oranje, de leider van de opstand, ook andere gewesten over te halen zich aan te sluiten bij het verzet tegen de Spaanse overheersing.

Meteen werd er afgesproken dat katholieken en calvinisten voortaan gelijke rechten zouden hebben.  Vanaf dat moment konden de calvinisten weer openlijk hun godsdienst belijden, maar dat vond men blijkbaar niet genoeg. In 1579 deden zij, gesteund door de Gelderse stadhouder Jan Van Nassau, een geslaagde greep naar de macht en volgde er in Nijmegen nu wel een ‘beeldenstorm’.  Met geweld werd de Sint Stevenskerk ingenomen en alles wat met de katholieken te maken had werd naar buiten gesleept en vernietigd.

Toen Nijmegen zich enkele jaren aansloot bij de Unie van Utrecht, mochten de katholieken hun godsdienst niet meer openlijk belijden en werden alle kerkelijke bezittingen onteigend.

 

In  1585 keerde het tij en grepen de katholieken, met steun van het Sinter Claesgilde, weer de macht en ging Nijmegen over naar de Spaanse kant.

 

Prins Maurits, die inmiddels de in 1584 vermoorde Willem van Oranje was opgevolgd als stadhouder, was er bijzonder op gebrand het voor de opstandelingen verloren gegane Nijmegen weer op de Spanjaarden te heroveren.
Aan de overzijde van de waal liet hij het fort Knodsenburg aanleggen, om zodoende de stad dagenlang te kunnen beschieten, waarna de stad zich gedwongen zag zich op 21 oktober 1591 over te geven.  

De stad werd zwaar gestraft. Katholieke erediensten werden weer verboden, mocht de stad niet langer zijn eigen stadbestuur kiezen en werd het Sinter Claesgilde ontbonden.

Economisch ging het de stad nu slecht en katholieken werden gedegradeerd tot tweederangs inwoners. Alle katholieke instellingen werden onteigend  en de opbrengsten daarvan werden gebruikt om de predikanten te betalen.


Grote Markt met de St. Stevenskerk en Waaggebouw

De zeventiende eeuw.

 

De eensgezindheid van de protestantse kerk was niet van lange duur, want overal in het land laaide in het begin van de zeventiende eeuw de strijd op tussen de remostranten en de contraremostranten.

Aanvankelijk was Nijmegen het bolwerk van de remostranten, zeer tegen de wil in van prins Maurits, die in 1618 met veel vertoon van macht naar Nijmegen kwam.
Hij verving alle remonstrantse raadsledenschepenen en burgermeesters door contraremonstranten.

Door de gebrekkige gezondheidszorg en slechte hygiënische omstandigheden braken er regelmatig besmettelijke ziekten uit.

De meest gevreesde ziekte was eeuwenlang de pest. Tegen de zwarte dood stond men machteloos. Het enige dat mogelijk was, was de pestleiders afzonderen en op allerlei manieren proberen de verspreiding van de pest tegen te gaan. In 1633 werd in de Hezelstraat een gasthuis voor de verpleging van pestlijders ingericht, gezien het oude pesthuis buiten de Hezelpoort was afgebroken. Iets hielp het, maar enkele jaren later zou de pest vernietigend toeslaan.

 

In 1635 wist Frederik Hendrik , die inmiddels Maurits was opgevolgd, hulp van Frankrijk te krijgen in zijn strijd tegen de Spanjaarden. De strijd ontbrandde weer in alle hevigheid en Spaanse troepen namen bij verrassing het ten oosten van Nijmegen gelegen fort Schenkenschans in, dat een jaar later weer door Staatse troepen heroverd werd. 

De gevolgen voor Nijmegen waren rampzalig, gezien onder de Staatse soldaten de pest uitgebroken was, die naar de stad overgebracht werd. Meer dan 6000 inwoners, bijna de helf van de Nijmeegse bevolking, bezweken aan deze epidemie.

 

In 1648 maakte de Vrede van Munster een einde aan de Tachtigjarige Oorlog, dat ook in Nijmegen met groot enthousiasme werd begroet, gezien de stad lang in het actieve oorlogsgebied lag.  Een korte periode van welvaart brak aan, waarna in 1672 Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen de Republiek der Verenigde Nederlanden de oorlog verklaarden en Nijmegen weer, als vestingstad in de vuurlinies lag. Dat jaar werd ons land van alle kante bedreigd en is de geschiedenis ingegaan als ‘Rampjaar’.

In juni trok het Franse leger ten oosten van Nijmegen de Rijn over.  De beschietingen waren zeer hevig en richtten in de stad een ravage aan, zodat Nijmegen deze ongelijke strijd niet lang kon volhouden en zich op 8 juli over gaf.

 

De Franse troepen plunderden de stad en soldaten werden bij burgers op hun kosten ingekwartierd.  Dit alles bracht een groot gedeelte van de burgerbevolking tot de bedelstaf.

Wel mochten de katholieken weer openlijk hun godsdienst belijden.

 

In 1674 vertrokken de Fransen uit Nijmegen en kreeg Gelderland weer een stadhouder in de persoon van Willem III, die door zijn krachtig optreden tegen Frankrijk veel macht had verworven. Met invoering van een nieuw regeringsreglement ontnam hij de stad het recht om een eigen stadsbestuur te kiezen. Hij ontsloeg het oude bestuur en stelde nieuwe regenten aan.

 

De Vrede van Nijmegen.

Toen in 1676 zo'n dertig Europese staten en steden vredesonderhandelingen startten om een einde te maken aan de oorlogen, werd Nijmegen gekozen als vergaderplaats. De onderhandelingen tussen onder meer de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, Frankrijk, Spanje, Zweden en Duitsland duurden zeker twee jaar en brachten veel bedrijvigheid met zich mee.  In 1678 en 1679 werden de vredesverdragen gesloten en maakte een reeks van verdragen een einde  aan de Hollandse oorlog, die gepaard gingen met grote feesten. Uit de tijd van de 'Vrede van Nijmegen' stamt een aantal prachtige tapijten, die in het stadhuis van Nijmegen zijn te bewonderen. In 2009 wordt deze vrede uitgebreid herdacht.

 

 

De achttiende eeuw.

 

Na de dood van stadhouder Willem III in 1702 werd het Gelderse regeringsreglement weer afgeschaft, maar besloten de zittende regenten aan te blijven.
De in 1675 door de stadhouder aan de kant gezette regentenfamilies protesteerden daartegen en eisten hun oude posities weer op. Er ontstonden twee partijen en een machtstrijd, maar degenen die veranderingen wilden wonnen uiteindelijk, alhoewel dat niet zonder geweld van wapens gebeurde.


Sint Sint Anthonispoort

 

Hellaas bracht die lang gehoopte verandering niet de juiste verandering. Er ontstond baantjesjagerij, corruptie en machtsmisbruik. In brede lagen van de bevolking leefde de gedachte dat alleen een telg uit het huis van Oranje-Nassau orde op zaken kon stellen.

Die roep werd sterker toen in 1747 de Fransen opnieuw ons land dreigden binnen te vallen. Het kwam zelfs tot hevige botsingen tussen voor- en tegenstanders van Oranje.  Uiteindelijk moest het stadsbestuur toegeven.
Prins Willem IV benoemde in Nijmegen een nieuw stadsbestuur, dat in werkelijkheid geen echte verbetering bracht en was van het enthousiasme voor de Oranjes al spoedig weinig over.

 

Uit Frankrijk overgewaaide nieuwe ideeën over democratisch bestuur vonden in de algehele teleurstelling een goede voedingsbodem en noemden de aanhangers van deze nieuwe ideeën zich patriotten. Hier en daar kwam het in de tweede helft van de eeuw tot een uitbarsting tussen de patriotten en de prinsgezindten.  Prins Willem V voelde zich zelfs zo bedreigd, dat hij Den Haag ontvluchtte en zich tijdelijk in de grensstad Nijmegen vestigde en een jaar lang op het Valkhof verbleef.

 

Inmiddels was de handel in Nijmegen sterk afgenomen. Niet de Waal, maar de Rijn werd de belangrijkste rivier. Alleen kleine bedrijfjes werden gesticht en sporadisch grote bedrijven, zoals de zeepziederij die later zou uitgroeien tot de grote Dobbelman.

 

In het najaar van 1794 trokken Franse revolutionaire troepen, gesteund door de Nederlandse patriotten, ons land binnen. De Fransen die ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ kwamen brengen, werden op 8 november met gejuich ontvangen.

Toen op 30 november de vrijheidsboom op de Grote Markt werd geplant hield burgermeester Grasveld een hartstochtelijke toespraak.
Katholieken mochten hun godsdienst weer uitoefenen en kregen ze zelfs een evenredig aandeel in het stadsbestuur.

 

Intussen was het enthousiasme over de komst van de Franse ‘bevrijders’ aanzienlijk verminderd, gezien die bezetting Nijmegen handen vol geld kostte.

 
Oranjesingel

De negentiende eeuw.

 

De in 1796 uitgeroepen Bataafse Republiek was geen lang leven beschoren en werd ons land in 1806 een monarchie. Het Koninkrijk Holland met Napoleons broer Lodewijk Napoleon als koning.  Daarmee kwam voorgoed een einde aan van wat er over was van de vroegere stedelijke zelfstandigheid. Steeds meer overheidszaken werden voortaan vanuit Den Haag geregeld.

 

In 1810 schoof Napoleon ook zijn broer aan de kant en lijfde hij ons land in bij het Franse keizerrijk, waardoor de financiële lasten steeds zwaarder werden.

 

Met grote vreugde vernamen de Nijmegenaren dan ook in november 1813 dat Napoleon beslissend verslagen was bij Leipzig en keerde erfprins Willem Frederik van Oranje terug uit Engeland. In 1814 vertrokken de laatste Fransen uit Nederland en werd Willem tot koning van Nederland gekroond.

 

In de eerste helft van de negentiende eeuw had een protestantse minderheid in Nijmegen de politieke en economische touwtjes in handen.  In 1851 kwam er een nieuwe kieswet en hoopten de katholieken dat zij uiteindelijk meer invloed op het stadsbestuur zouden krijgen. Dat ging niet meteen van harte, maar het in 1848 opgerichte dagblad De Gelderlander zorgde mede voor een katholieke emancipatie en kregen de katholieken de overhand in het politieke en maatschappelijk leven in de stad. 

 

De vestingstad Nijmegen werd voor het laatst in staat van paraatheid gebracht in de oorlog van 1830 tot 1839.

 

Gedurende vele eeuwen stapelden zich tegen de glooiingen van de stuwwal de huizen zich op, geheel of gedeeltelijk boven elkaar uitstekend. Daar  tussen de Grotestraat die naar de Grote Markt leidde en links en rechts talloze straatjes, stegen, sloppen, gasjes en trappen van de woonwijken. Bovenop de heuvelrand werd het stadssilhouet gemarkeerd door drie oprijzende kerktorens: in het westen de toren van de Sint Stevenskerk, sinds jaar en dag het symbool van Nijmegen en altijd van ver van alle kanten herkenbaar, iets ten oosten daarvan de spits van de Sint Augustinuskerk en in het midden, in het verlengde van de Grotestraat, de toren van de Broerstraatskerk.
 

Vele Nijmegenaren gingen vroeger in de zomermaanden met de pont naar de Lentse oever van de Waal, om daar vanaf een schaduwrijk terras de stad in zijn fraaiste uitdossing te zien liggen.
 

De vestingmuren bleven nog lange tijd staan en belemmerden Nijmegen om te groeien. Buiten de stadsmuren mocht niet gebouwd worden, omdat men vanaf de torens en muren vrij moest kunnen schieten. Dit betekende dat er voor de opkomende industrie letterlijk geen ruimte in de stad was. De bevolking bleef groeien en de stad verpauperde en
werden de vestingwerken steeds meer gezien als een belemmering voor de ontwikkeling van de stad, want Nijmegen raakte overbevolkt en waren er totaal geen uitbreidingsmogelijkheden. Duizenden Nijmegenaren leefden opeengepakt in krotten en werd er via een open rioolstelsel geloosd, waardoor er weer besmettelijke ziekten uitbraken.

Gezien Nijmegen nog steeds als strategisch belang gezien werd voor de landsverdediging, kreeg de stad van het rijk nog steeds geen toestemming om de vestigingswerken te slopen. Sterker nog, het verdedigingstelsel rond de stad werd zelfs nog versterkt.

 

Pas in 1874 sprak de Tweede Kamer het verlossnede woord met het aannemen van een vestingwet en mocht de vesting Nijmegen eindelijk worden ontmanteld. Aan de sloop van de vestingwerken werd zo enthousiast gewerkt dat helaas ook veel waardevolle gebouwen, muren en poorten verloren zijn gegaan.

Voor de echte industrialisatie was het toen al te laat. Dit had tot gevolg dat Nijmegen zich in de volgende decennia vooral ontwikkelde tot een prachtige woonstad. De brede singels en statige huizen aan de St.-Annastraat, de Van Schaeck Mathonsingel en de Oranjesingel stralen nog steeds de schoonheid en grandeur uit van de 19e eeuw. Ook kreeg Nijmegen een modern wegennet, met o.a. het Keizer Karelplein en de singels. Daarnaast werd er veel ruimte gecreëerd voor groenvoorziening, zoals het Hunerpark en Kronenburgerpark.

Pas later tot in de twintigste eeuw werden in de tussenliggende ruimten eenvoudigere woningen, ziekenhuizen, kerken en scholen, gebouwd. Vooral katholieke scholen schoten als paddenstoelen uit de grond, waarvan het Canisius College wel de meest bekende is.
 

 

De twintigste eeuw.

 

De economische achterstand uit de 19e eeuw kon niet makkelijk worden weggewerkt. De groei van de bevolking bleef sterker dan de groei van de werkgelegenheid. De grote crisis uit de jaren dertig bereikte Nijmegen daarom sneller dan andere steden. Om de werkloosheid te bestrijden liet het stadsbestuur het Maas-Waalkanaal (1927) graven en het stadspark de Goffert (1935) aanleggen.


Toch kwam in deze eeuw de industriële ontwikkeling langzaam op gang. Bedrijven als N.V. Kunstzijdespinnerij Nyma, margarinefabriek Batava, en elektro-technischebedrijven als N.V. Willem Smit en Co’s Transformatorenfabriek, vestigden zich in de stad.


Oorlogsmonument op Plein 1944

 


In 1923 vestigde de Katholieke Universiteit zich in Nijmegen, vooralsnog heel bescheiden.

 

Na die crisisjaren volgde de nog zwaardere tijd van de Duitse bezetting. Nijmegen was de eerste Nederlandse stad die op 10 mei 1940 in handen van de Duitsers viel. De onderdrukking van de Duitsers betekende voor velen uiteindelijk de dood.

Op 22 februari 1944 bombardeerden de geallieerden Nijmegen, in de veronderstelling dat ze een Duitse stad onder vuur namen. De Nijmeegse binnenstad werd totaal verwoest en 880 mensen sneuvelden. Op 17 september van hetzelfde jaar startten de geallieerden de militaire operatie 'Market Garden' die uiteindelijk leidde tot de bevrijding van de stad. Nijmegen bleef van september 1944 tot maart 1945 frontstad en werd de stad vrijwel dagelijks door de Duitsers onder vuur genomen, waarbij nog eens 400 doden vielen.

 

Nijmegen moest herbouwd worden, de schade was enorm, want 600 winkels en bijna 4500 woonhuizen waren verwoest. 

De wederopbouw van de stad kwam traag op gang. Allereerst werd het centrum opgebouwd, dat in 1956 grotendeels voltooid was. 

In de jaren vijftig en zestig verrezen er steeds meer nieuwe woonwijken en pas in 1975 werd er een begin gemaakt met de sanering en de herbouw van de benedenstad waar nu gelukkig nog veel te zien is uit het verre verleden van Nijmegen.