Cultuur
 

 
 

In elke samenleving bestaat er wel op een of andere manier aandacht voor ontspanning. En zo was dat rond het begin van de jaartelling bij de Romeinen ook.
Veel van hun ontspanning vond plaats in een amfitheater, dat in Nijmegen in de omgeving van de Mesdagstraat en de Rembrandtstraat gestaan heeft en aan ongeveer 5000 mensen plaats bood. Daarnaast beschikten de Romeinen ook over een of meerdere thermen, die niet alleen als wasgelegenheden gebruikt werden, maar ook dienst deden als vergaderruimte, sauna, sport en spel en daarnaast was het tevens een cultureel centrum.

 

 


Concertgebouw de Vereeniging

De gewone bevolking was aangewezen op de diverse herbergen die in het algemeen niet erg goed stonden aangeschreven. De omgangsvormen waren er bedenkelijk, de wijn was er slecht, er werd met de rekening geknoeid en vaak deden die herbergen ook dienst als bordeel.

Toen de Romeinen uit Nijmegen vertrokken was het Valkhof nog steeds de plaats waar burgers voor ontspanning terecht konden.

Vanaf het jaar 777 vierde Karel de Grote er regelmatig het Paasfeest en na hem werd er nog vaak gefeest door meer vorstelijke personen, zoals Lodewijk de Vrome, Karel de Kale, koning Zwentiboldde, graven van Gelre, de stadhouders en koningen van het Oranjehuis.
 

 

 

Toen Nijmegen in 1230 stadsrechten verwierf kwamen er meer feesten, ook voor de burgerbevolking. Er waren allerlei soorten schuttersfeesten waar meestal te veel bier bij werd gedronken. Koffie en thee waren in die tijd nog niet bekend. Bier was zelfs een gebruikelijke drank bij het ontbijt, middag- en avondmaal. Doorgaans had het bier wel een laag alcoholpercentage en waren er meerdere soorten tafelbieren: dikbier, dunbier, kuitbier, Hamburger bier en een aantal Nijmeegse soorten zoals: molbier, het jopenbier, het mombier en het scherrebier.
Wijn was natuurlijk al langer bekend, maar niet de wijn zoals wij die kennen. Het was wijn van Keulse makelij, die smaak en geur ontleende aan specerijen en kruiden.

In 1660 verscheen thee en koffie op de markt, dat via Engeland werd geÔmporteerd en vooral verkrijgbaar was in speciale thee- of koffiehuizen.
Toch bleven bier en wijn de belangrijkste dranken. Het stadsbestuur werd zelfs genoodzaakt maatregelen te treffen tegen het overmatige drankgebruik en mochten gildefeesten voortaan niet langer duren dan twee dagen. Op begrafenissen mocht helemaal geen alcohol meer geschonken worden en een spelletje kaarten was op een gegeven moment ook uit den boze.
 

 

 

In de loop der tijd ontstonden er meer volksvermaken en was de kermis al vanaf de middeleeuwen het feest bij uitstek. Tot het einde van de negentiende eeuw was de kermis meer een soort jaarmarkt en bestond het amusement uit eten en drinken. 

Later verschenen pas de draaimolen, de bioscooptent, de stoomcarrousel en de palingkraam op dit volksfeest.

In 1854 besloot de gemeente om de kermis te verplaatsen van de laatste week van september naar de eerste week van oktober en werd de najaarskermis de grote Nijmeegse kermis, die nu nog steeds vanaf de eerste zaterdag in oktober plaats vindt.


Stadsschouwburg

 

 


Ook Vastenavond was een bekend volksfeest dat ook al regelmatig uit de hand liep. Het was zo erg zelfs, dat vanaf de vijftiende tot halverwege de achttiende eeuw een verbod op Vastenavondviering afgekondigd werd, om daarna ruim honderd jaar volledig uit de openbaarheid te verdwijnen. Daar was de invloed van het opkomende protestantisme niet vreemd aan.

Toen de katholieken eind negentiende eeuw in Nijmegen weer de boventoon kregen, kwam ook carnaval weer in beeld. In het begin alleen in besloten kring o.a. in Burgerlust, De Harmonie en De Vereeniging. Later werd carnaval steeds meer een volksfeest in de openbaarheid.   

Einde achttiende eeuw besloot men om bij het organiseren van evenementen de bevolking er actief bij te betrekken.  Bij de inhuldiging van koningin Wilhelmina waren diverse spelletjes, zoals ringsteken en zaklopen erg populair en besloot men dat dergelijke spelletjes een vast onderdeel van de stedelijke festiviteiten moesten worden.

Theater kende men ook al, dat alleen maar bestond uit zogenaamde wagenspelen van rondtrekkende gezelschappen, waarvan Mariken van Nieumeghen wel de bekendste is.
Later verplaatsten de voorstellingen zich naar speelplaatsen in de kerkelijke sfeer, zoals de MariŽnburgkapel, de kerk op de Hessenberg en het nonnenklooster in de Begijnengas.

Vanaf einde achttiende eeuw traden er toneelgezelschappen op in de stadsmanege op het MariŽnburg die een grote populariteit genoot, vooral in betere kringen.

Naast toneel werd er ook al gemusiceerd, in 1382 maar door een enkeling. Vanaf 1427 werden er muzikanten in stadsdienst aangenomen die naast hun salaris ook gratis kleding kregen. Ook werden zij op stadskosten voorzien van instrumenten en traden zij op bij feesten, maaltijden, processies, optochten, bezoeken van vorsten en bliezen zij victorie na een overwinning. Daarnaast deden ook rondreizende speellieden de stad aan.   

 

 


LUX

Het culturele leven kreeg rond 1800 een nieuwe impuls door de oprichting van de sociŽteit De Vereeniging aan het Keizer Karelplein, die in 1915 gesloopt werd om plaats te maken voor het huidige concertgebouw. 

Later ontstonden er nog meer sociŽteiten, zoals Burgerlust op het Valkhof en de Harmonie in de Burchtstraat.
 

Vanaf de negentiende eeuw stond cultuur steeds meer in de belangstelling. De betere klasse zocht haar vertier steeds meer in deftige sociŽteiten, zoals de hier boven genoemde De Harmonie die in 1812 werd opgericht.

 
 

In 1818 werd een amateur-gezelschap opgericht, dat later  ĎStads Concertí heette en zich toelegde op de uitvoering van grote muziekwerken.

 

Toen op 15 oktober 1839 de nieuwe stadschouwburg in de Burchtstraat werd geopend veranderde er veel, gezien dat de centrale plaats werd voor toneeluitvoeringen, ondanks dat nog tot ver in de negentiende eeuw er nog toneelgezelschappen waren die met hun eigen tenten kwamen.

Ook werd de stadsschouwburg voor muziekuitvoeringen gebruikt.

 

 

 

 

De Harmonie Concordia, opgericht in 1844, was zeer bekend en werd als stedelijk muziekkorps erkend, waardoor de muziekanten uit gemeentelijke subsidies betaald werden. 
Zeer bekend waren hun Valkhof-concerten.
Helaas kon dit muziekkorps het op den duur niet bolwerken. 


In 1880 waren er enkele burgers die de Schutterijmuziek nieuw leven wilden inblazen. Het werd een geweldige activiteit, want het repertoire bestond uit liefst 500 muziekstukken en speelde iedere muzikant minstens drie instrumenten.  Ook waren er buitenlandse tournees. Helaas werd dit korps, op het hoogtepunt van zijn roem, in 1887 opgeheven, gezien de gemeente de subsidiekraan had dichtgedraaid.


Museum Het Valkhof

 
 

In 1896 kwam een geheel nieuwe vorm van ontspanning en begon in Nijmegen op de kermis de film. De eerste Nijmeegse bioscoop werd in 1908 in de Grotestraat geopend.
 

Rond de eeuwwisseling  ontstonden er veel katholieke, maar ook socialistische verenigingen voor sport, spel,  toneel en muziek.

Zeer bekend was het in 1859 opgerichte Nijmeegsch Mannenkoor dat in 2009 haar 150-jarig bestaan vierde.
 

Het straatleven in de buurten, waar men dicht op elkaar woonde, kreeg zijn eigen straatcultuur. Door de dichte bebouwing met de kleine een-kamer-huisjes, woonetages en in vervallen staat verkerende herenhuizen dreven de mensen de straat op voor het zoeken naar vertier. In de gassen, straten en op pleinen was vaak wat te doen. De sfeer die daar heerste was niet altijd om trots op te zijn. Zo waren er vechtende soldaten, spiritusdrinkers en prostituees tussen het normale straatleven te vinden dat bestond uit kaaisjouwers, straatmuzikanten, ventende visvrouwen, wachtende reizigers en spelende kinderen.

 

In de buurtkroegen en tapperijen klonk muziek en vanaf 1918 was er voor het eerste een straatorgel van Pupke Maas te bewonderen.
Een bekend hotelier en kroegbaas was in die tijd Emile Selbach, beter bekend als de Dikke Selbach.
 

 

 

 


Stratenmakerstoren

De wat beter gesitueerden genoten op hun manier van de buitenlucht.

Vaak ging men wandelen in de Nijmeegse parken, op de vestingwallen en langs de Waalkade.
Ook buiten de stad waren er voor hen geliefkoosde plekjes in overvloed. Op zondag ging met geregeld met de pont naar Lent om daar bij ĎWildebeestí naar muziek te luisteren, thee te drinken en pleskens te eten, daarbij genietend van het uitzicht over de Waal.


Ook Hees, Neerbosch, Hatert, Ubbergen en Beek, waar sommigen een buitenhuis hadden, waren geliefde plaatsen om te bezoeken.

 
 
 

Vanaf de twintigste eeuw is het cultuuraanbod steeds meer toegenomen en is er voor ieder wat wils, zoals filmzalen, muziekpodia, theaters, musea, bibliotheken en aanbieders van workshops en cursussen. Daarnaast wordt er veel aandacht besteed aan Kunst op Straat, die het kunstbezit in de openbare ruimte toegankelijk maakt.

Dat Nijmegen een evenementenstad bij uitstek is, bewijst de Vierdaagse.

Maar er is veel meer, Nijmegen heeft een grote variŽteit in theaters, bioscopen en muziek- & cultuurpodia. Naast de stadsschouwburg en het prachtig gerenoveerde concertgebouw De Vereeniging zijn er in het moderne 'art-plex' LUX (MariŽnburg) en daarbuiten kleine podia, zoals de Lindenberg, met aandacht voor eigentijds theater, moderne muziek, literatuur en debat. Naast de drie grote bioscopen toont LUX bijzondere filmproducties.

 

Hieronder een paar cultuurtips:

 
 

Museum het Valkhof

 

Natuurmuseum Nijmegen

 

Museum Stratemaketstoren

 

Cultuurspinnerij De Vasim

 

MuZIEum

 

Theatergroep Kwatta

 

Nationaal Bevrijdingsmuseum

 

Afrikamuseum

 

Museumpark Orientalis

 

LUX

 

Keizer Karel Podia

 

De Lindenberg

 

Doornroosje

 
   
   


Velorama